Tagarchief: Tweede Wereldoorlog

What’s in a name

Het is bizar. Wat zegt de titel van een kunstwerk nou eigenlijk? De naam van een straat, een plein? Wat is de functie ervan? Ik vroeg me dat af, toen in 2018 eerst de naam Stadionplein na 104 jaar dreigde te verdwijnen en ik daarna – door de Franse titel van het kunstwerk van Matthew Darbyshire op het Stadionplein – de joodse Franse schrijver Georges Perec ontdekte en merkte dat zijn hele schrijversoeuvre gaat over het thema “verdwijnen”. Wat zegt dat over het kunstwerk 11 rue Simon-Crubellier van Darbyshire?

De middelste ring van de 5 Olympische ringen op het Olympische Stadion, recht tegenover het zwarte kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire op het Stadionplein.

Namen van straten en pleinen ordenen, geven structuur en richting aan een stad. Straten in een buurt hebben dezelfde type namen. Ook de naam van een kunstwerk geeft richting aan het denken over een kunstwerk. Denk ik.

TITELFUNCTIE

In het Singer Museum Laren zag ik laatst nog heel wat naambordjes “Zonder Titel” naast kunstwerken, zoals bij een tafel van Tom Claassen. Vermeld werd dat het uit natuurrubber, schuim en 7 vliegen bestond. Tussen haakjes was toegevoegd dat het om een tafel ging ;-).

Als er zo’n bordje zou komen (“Untitled”, materiaal: zwart gepatineerd brons en beton) bij het design-appartement van Matthew Darbyshire op het Stadionplein zou je naar een berg meubels kijken, die samen een moderne sculptuur vormen: een driekamer-appartement. Maar mét de door Darbyshire gekozen Franse titel “11 rue Simon-Crubellier” wordt het m.i. een ander verhaal. De gemeente Amsterdam plaatst binnenkort een plaquette bij het kunstwerk. Ik ben benieuwd.

P1040293
De Britse kunstenaar Matthew Darbyshire in zijn kunstwerk, november 2018

In kunsttijdschrift Mister Motley memoreren ze wat kunstenaar Marcel Duchamp (1887 -1968) ooit zei over titels van kunstwerken.

‘De titel van een schilderij’, zei Marcel Duchamp “is één van de kleuren op het palet van de kunstenaar”. Als ware het een onzichtbare tint die ons denken kleurt.

Duchamp gaf hiermee aan dat titels méér zijn dan alleen objectnaam. Immers, titels prikkelen de fantasie, verklaren, geven houvast en zaaien in een enkel geval zelfs verwarring.” (uit “Het benoemen van de dingen”, Saskia van Kampen. Mister Motley

11 FEBRUARI 1943
De Franse titel ’11 rue Simon-Crubellier’ van het Stadionplein-kunstwerk kan verwarring zaaien, ja. Maar biedt mij tegelijkertijd de vrijheid om het te duiden binnen de context van de Stadionbuurt.

3110ed85ce0b7c7b688b73824cd8ef48 - kopie
Franse cover. Vertaald heet het boek: Het leven een gebruiksaanwijzing (1978)

Het woonadres “11 rue Simon-Crubellier” komt uit het literaire oeuvre van de Fransman Georges Perec (1936-1982), geboren uit Pools-Joodse ouders. Op een studieavond over Perec ontdekte ik dat in heel zijn oeuvre de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is.

Als Perec het getal 11 noemt, raak je als Perec-kenner altijd alert”, hoorde ik van mw. dr. Manet van Montfrans, in Nederland gepromoveerd op Perec.

De 11 verwijst
naar 11 februari 1943, de dag waarop tijdens een razzia in Parijs zijn moeder werd opgepakt, haar vader en haar zus. Van alle drie is nooit meer iets vernomen. Ze zijn spoorloos verdwenen.
Perec weet alleen dat zijn moeder gedeporteerd is naar Auschwitz.

Zijn leven lang houdt hij haar “Acte de Disparition” – een staatsdocument over haar vermissing – bij zich.
Perec houdt van cryptisch schrijven, zaken verstoppen, zoals in zijn e-loze boek uit 1969, “La Disparition (2 + 11 letters, 11 februari) waarin ook de één na de andere persoon verdwijnt, terwijl die mensen onderling met elkaar verbonden blijken door een kringvormig merkteken op de onderarm dat de letter e blijkt te zijn. De associatie met een kampnummer dringt zich op. Het e-loze boek is meer dan een taalspel, er is constant sprake van een gemis. In het Nederlands heet het: ’t Manco.

Zijn vader sneuvelde als soldaat in 1940, zijn andere opa werd ook gedeporteerd. Zijn oma ontsnapte omdat ze tijdens de razzia niet thuis was, en voegde zich bij de 8-jarige Perec, die – met zijn verfranste Poolse naam Peretz – in 1942 in een Frans bergdorp was ondergebracht, waar zij vanwege haar Poolse jiddisch voor doofstom moest doorgaan.

Die thema’s – vermissing, doofstomheid, kidnapping, verdwijnen, identiteit- en naamswisseling- verstopt Perec in al zijn boeken. Ik heb er nu 4 gelezen. In Perec’s debuutroman Les Choses/Things (1965) – dat de Engelse kunstenaar Matthew Darbyshire, vertelt hij mij, vooral beïnvloed heeft – gaat het om een identiteit die niet moet zoekraken, als je je omringt met luxe en designvoorwerpen.
Dat spreekt Darbyshire vooral aan.

MAUSOLEUM

De vraag is of hij zich gerealiseerd heeft – als je dan een titel naar Perec vernoemt en Georges Perec daarmee ” naar Amsterdam haalt” – dat je met Perec automatisch eigenlijk de oorlog meekrijgt. De meeste Perec-boeken zitten vol biografische hints, als je tenminste weet waarnaar je zoeken moet. Anders lees je daar overheen. Het is een mysterieuze schrijver.
Misschien is dat geheimzinnige niet vreemd voor iemand, die als kind met zijn verfranste naam en ‘onderduikachtergrond’ in een bergdorp, met zijn Poolse oma niet herkend mocht worden door Duitsers. Kortom, Perec houdt van: zich verstoppen.

Ook de naam van zijn Poolse moeder Cyrla Szulewicz – verfranst tot Cécile of Caecilia (patrones van de muziek) – gebruikt hij op tal van manieren in diverse boeken. Er is altijd wel een operazangeres, ook op de 11 rue Simon-Crubellier.

Het hele flatgebouw op dit adres propt hij boordevol bewoners en kan gezien worden als een eerbetoon aan allen die verdwenen zijn.

hij dacht aan de anderen, aan al diegenen die al vertrokken waren (…)”
“Over de trappen glijden de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”(p. 72)

Op de 11 rue Simon-Crubellier laat Perec vervolgens een heel ritueel vernietigingsproces plaatsvinden van puzzelstukjes.

zo zou er geen enkel spoor overblijven (-)” p.130
(Uit: Het leven een gebruiksaanwijzing)

Go_ko_animación

Ook het getal ’43 verstopt hij, vertrouwd als hij is met Joodse getallensymboliek en Kabbala.

Hij laat in het trappenhuis 4 zwarte en 3 witte marmeren schijven “vinden”, die zo zijn neergelegd dat ze samen in het Japanse go-spel het woord Eeuwigheid vormen (p.477).
Hoe cryptisch wil je het hebben voor een jongen, wiens familie is uitgemoord. De oudste bewoner van het pand, een schilder die het flatgebouw wil schilderen, mijmert:

“alleen al de voorstelling die hij zich maakte van dat opengebroken pand dat de scheuren van zijn verleden (-) toonde (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)” p.138

Voilà, 11 rue Simon-Crubellier als mausoleum. Als praalgraf dus.

STADIONBUURT

Met dit gegeven krijgt het Stadionpleinkunstwerk met de Franse titel voor mij ineens een heel andere lading.
Ik denk aan de verdwenen joodse schoolkinderen uit de Stadionbuurt, waarover schrijver Heere Heeresma (1932-2011) – buurtbewoner tijdens de oorlog – schreef in zijn boeken “Een jongen uit Plan Zuid” (2005).
Ik denk aan de verlaten huizen, die door andere bewoners in beslag genomen werden. Heeresma beschrijft dat heel treffend, als hij op de Stadionweg één van zijn joodse schoolvriendjes Mosje Ansinger weer wil bezoeken, maar plots ziet dat het naambordje is veranderd en er wordt opengedaan door onbekende mensen.

“Ik kom voor Mosje, mijn vriendje. Mosje Ansinger”.
De vrouw schudt haar hoofd. “Die woont hier niet”.
Maar langs haar heen zie ik dat mooie met parelmoer ingelegde tafeltje met daarop die lamp met een schelpachtige kap en daarnaast een echt troubadourzeteltje, dat Mosje en ik naar het balkon tilden zodat we bij de hoog geplaatste vliegenkast konden om er een appel of een banaan uit te jatten. (-).
“Wat is daar” hoor ik een mannenstem achter in het huis roepen.
De vrouw roept terug terwijl ze me aan blijft staren. “Een jongetje dat naar de familie Ansinger vraagt!”.
“Laat-ie opdonderen!”.
(-) Het portier zoeft dicht…”
(Een jongen uit plan Zuid, deel 1, pag.73)

Deportatie-Amsterdam-20-6-1043-Beeldbank-WO2-NIOD-96771
Olympiaplein, hoek Marathonweg: deportatie van Joden, 20 juni 1943, foto Beeldbank

Van diverse adressen in de Stadionbuurt zijn ook na de oorlog bij de Duitse overheid zogenaamde Möbelclaims ingediend vanwege leeggeroofde inboedels.

Ons eigen Olympiaplein was op 20 juni 1943 een belangrijke verzamelplaats tijdens meerdere razzia’s die dag in Amsterdam.
Het is een pijnlijke oorlogsgeschiedenis die de straten kleurt van een buurt met zowel heel veel NSB-adressen (zoals 2 jaar terug op een map van bet Stadsarchief duidelijk werd gemaakt NSB in Zuid) als veel Joodse bewoners, voornamelijk gevluchte joodse immigranten uit Duitsland en Oost-Europa (net als de Poolse families Szulewicz en Peretz in Parijs)

stippenkaart - 2

20190430_190746
1548 joden in de Stadionbuurt, detail van de Amsterdamse Stippenkaart uit 1941. Elke stip staat voor 10 joodse bewoners, 1100 werden vermoord, zo’n 7 procent van de Stadionbuurtbevolking

PLEK VOOR 1100 STOLPERSTEINE

Op een bevolking van 16.592 mensen in de Stadionbuurt was in 1941 een kleine 10 procent Joods. Van de 1548 Joden in de Stadionbuurt werden er, naar mijn berekening, zo’n 1100 vermoord, d.w.z. 71 procent.
Ik heb voor deze gegevens Joodsmonument.nl, het Stadsarchief en het NIOD geraadpleegd. De beruchte Joodse stippenkaart, die de Duitsers in 1941 door ambtenaren lieten maken, is ook een belangrijke bron. Elke stip op de kaart staat voor 10 joden. Je ziet dan dat er in de Beethoven- en Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid meer joden woonden dan in de Stadionbuurt; en in Oost en rond het Waterlooplein veel meer. Voor de Stadionbuurt begrens ik me tot en met het Olympiaplein.

sternfeld_edith_with_brother_martin_and_his_wife_molly_jpg()(F72F55D018125D640EBDF423A45BAD09)
Edith en haar broer Martin Sternfeld, met zijn vrouw Molly op hun balkon, vermoedelijk in de Stadionstraat 23 III. Molly overleefde.

In de Achillesstraat alleen al tel ik 92 vermoorde joodse buurtbewoners, in de Herculesstraat 59, op de Stadionkade 89, en zo kan ik doorgaan. Meerdere gezinnen plegen zelfmoord.

Hoe moet ik me een lint van 1100 messing Stolpersteine, struikelstenen, door de Stadionbuurt voorstellen, als iemand daar geld voor over heeft? Een project van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig.

Ik zie dat er in het huidige Olympisch Kwartier, dat toen maar uit één woonblok bestond in de Stadionstraat, 9 joden woonden. O.a. een gevluchte jurist Martin Sternfeld en zijn zus Edith, uit Oost-Pruisen: Martin werd al op 16 september 1941 vermoord in Mauthausen. Edith in Auschwitz. Ik vind een balkonfoto van hen voor een houten verandakast, zoals de oude huizen hier hebben.

HARRY ELTE

Ook de feitelijke naamgever van de Stadionbuurt, de joodse architect Harry Elte (1880- 1944 Theresienstadt), werd als bewoner van de Stadionweg, in 1942 gedeporteerd. Hij was het die met zijn sportstadion in 1912 – ver voor de Olympische Spelen van 1928 – aan de namen Stadionweg en Stadionplein bijdroeg.

Dat gegeven brachten buurtbewoners in 2018 in herinnering toen de naam Stadionplein bijna verdween. Moest eerst Eltes stadion verdwijnen voor nieuwe huizenbouw in de jaren ’30, en moest hijzelf in 1942 verdwijnen, zou dan nu ook nog zijn Stadionplein moeten verdwijnen?

De gemeente was niet ontvankelijk voor dit argument, maar zegde wel schriftelijk toe aan de actievoerders om Harry Elte in de stad te gaan vernoemen. Hoezo architect Jan Wils van het Olympisch Stadion wel, immers, en Harry Elte niet?

album_large_7971
Het stadion van Elte 1912-1929, naamgever van Stadionweg en Stadionplein, aan rand van Amsterdam met weilanden.

HOMMAGE AAN PEREC

Matthew Darbyshire vindt het, desgevraagd, prima als ik zijn 3-kamerappartement ’11 rue Simon-Crubellier’ een duiding geef, omdat hij zich realiseert dat dit inherent is aan kunst in de Openbare Ruimte.
Maar hij relativeert al snel de functie die een titel van een kunstwerk volgens hem heeft. De titel maakt volgens hem maar 1 procent van een kunstwerk uit. Eén procent.
“I’ve highlighted before that the appropriation of Perec’s fictive address informs what I believe to be approx one percent of the works content.”


Hij vond het te midden van de Brexit-hectiek wel aardig, zegt hij, om met een Franse titel een statement te maken.
Hij ziet zijn design-meubels ook zeker niet als letterlijke uitbeelding van het Franse flatgebouw, dat Perec beschrijft, maar de Franse titel ziet hij wel als “eerbetoon aan Perec”.
Hij bewondert de Franse schrijver; zegt gefascineerd te zijn door de complexiteit van Perec’s boeken.
“I hope at the very least it is understood as a tribute to the extraordinary intellectual voyeur, philosopher, poet, prankster, artist, filmmaker…just incredible thinker who is certainly worthy of this oblique memorial!”

Een hulde aan Perec dus. Een soort van gedenkteken. Maar teveel accent op Perec is niet zijn bedoeling.

Wat mij betreft is dan de cirkel rond. Eerst richt Perec een heel flatgebouw op aan een fictieve 11 rue Simon-Crubellier, ter nagedachtenis van zijn verdwenen familie, vervolgens ziet Darbyshire zijn driekamer-appartement 11 rue Simon-Crubellier als eerbetoon aan Perec.
Ik vraag hem wat hij ervan vindt als ik de (joodse verborgen) achtergrond van het oeuvre van Perec verbind aan de geschiedenis van de Stadionbuurt, en daarmee aan “11 rue Simon-Crubellier” op het Stadionplein. Darbyshire:
I’m delighted that these histories can be crossed and interlaced. It certainly was not my intention but hopefully you can see how I have tried desperately to leaves things open, malleable and democratic as possible”.

Alle interpretaties zijn dus mogelijk.

CITIUS, ALTIUS, FORTIUS


Tot slot moet ik dan nog een ander bizar detail vermelden. Precies tegenover het zwarte kunstwerk op het Stadionplein staat de poort van het Olympisch Stadion met de 5 Olympische ringen en de leus: Citius, Altius Fortius: sneller, hoger, sterker. Opvallend genoeg komt deze Olympische leus voor in Perec’s wonderlijke semi-autobiografische roman “W, of de jeugdherinnering” (1975) over een zoekgeraakt doofstom kind.
DSC03812
Olympische leus boven toegangspoort Olympisch Stadion: sneller, hoger, sterker

Ik zei al: in meerdere romans van Perec raken mensen of dingen spoorloos. Of wisselt hij van identiteit. In de zoektocht naar dat kind belandt hij op een eiland W. waar een extreem-hiërarchische, maniakale, zelfs sadistische Olympische sportcultuur heerst vol regels en dwang. Met Duits geschreeuw “Schnell, schnell” worden verliezers in de sport afgestraft.

De atleten hebben grijsgestreepte trainingspakken aan met de letter W op hun rug of van witte stof genaaide driehoeken op hun borst. De parallel met jodensterren en concentratiekampen is evident. Een Roemeense bookcover laat dat ondubbelzinnig zien.

1257482
Roemeense bookcover van boek over zijn jeugd

Perec gebruikt de Olympische sportbeoefening dus als metafoor voor de kadaverdiscipline die er heerst in totalitaire regimes als het nazisme.
Van het doofstomme kind wordt niets meer vernomen…

De hoofdpersoon in het boek over de 11 Rue Simon-Crubellier sterft met in zijn hand een puzzelstukje in de vorm van de letter W. Het puzzelstukje past niet in de puzzel die op tafel ligt.

En zo zitten we dan in Amsterdam – recht tegenover het Olympische Stadion met de leus Citius, Altius, Fortius – met het wonderlijke verschijnsel dat er in deze buurt allerlei Möbelclaims tegen de Duitse staat zijn ingediend en er nu een meubelkunstwerk “11 rue Simon-Crubellier” is, welke naam bij Perec indirect verwijst naar een razzia op 11 februari 1943.

U kunt natuurlijk zeggen: what the hell. What’s in a Name?

Maar m.i. lijkt het erop dat een kunstwerk met deze titel exact past in de Stadionbuurt. Het is precies het juiste puzzelstukje.
Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten’ (citaat uit de Thora)

P1040821
Stolperstein, Argonautenstraat 12 II
P1040823
Stolpersteine, Herculesstraat 25A I
P1040824
Stolpersteine, Parnassusweg 10 II

© Overname van gedachtengoed uit dit blog s.v.p. met bronvermelding

Dit is blog 6 in een serie over “11 rue Simon-Crubellier”

Het leven: een puzzel

frustrated-little-man-missing-puzzle-piece[33694]

Er wordt nogal gepuzzeld aan de 11 Rue Simon-Crubellier te Parijs, het woonadres dat de schrijver Georges Perec verzon, waaraan het kunstwerk van Matthew Darbyshire op het Stadionplein haar titel ontleent. Het kunstwerk wordt zaterdag 10 november onthuld.

Nou heb ik niks met legpuzzels. Maar vorige zomer, juist toen ik me voor de eerste keer door dat dikke, niet-zo-toegankelijke boek “Het leven een gebruiksaanwijziging” van Perec heenworstelde, kwam het er dan toch van.
Mijn hoofd stond niet naar lezen.
Als een soort meditatief herstel van een ziekenhuisopname werkte ik aan een legpuzzel. Daardoor weet ik nu hoe het voelt als je dagenlang naar een specifiek puzzelstukje zoekt.

Ben je aan het puzzelen?”, vroeg de buurvrouw, toen ik tussendoor even met haar op een zonnig terras op het Stadionplein zat, aan de voet van de lange bak aarde, waar nu het kunstwerk “11 Rue Simon-Crubellier” is verrezen.

Stomverbaasd keek ik mijn buurvrouw aan. Hoe kon ze nou weten dat ik aan het puzzelen was? Zag ze dat aan mijn neus, daar op dat terras? Hoe kon dat?
Het was idioot: ze zag het aan mijn arm!
In de warme plakkerigheid van de zomer was er een legpuzzelstukje aan mijn onderarm blijven hangen en wonderbaarlijk genoeg had dat stukje mijn wandeling naar het Stadionplein overleefd.
Ik had het ook kunnen verliezen.

life-puzzle

Puzzelstukjes verdwijnen soms. En dan krijg je het plaatje niet meer compleet. Bij de schrijver Georges Perec is dat het geval. In al zijn boeken is er een (verkapte) zoektocht gaande naar het puzzelstukje van zijn jeugd: zijn verdwenen Joodse familieleden, zijn herinneringen.
“Mijn moeder heeft geen graf”, schrijft hij, n.a.v. haar deportatie op 11 februari 1943 naar Auschwitz. Perec is dan zes jaar. Er is verder niets over zijn moeder bekend. Ze is opgelost in het niets.”Ik heb geen herinneringen aan mijn kinderjaren”.
Ja, dan heb je een gebruiksaanwijzing nodig om te kunnen leven. Voilà, de titel van het boek over de 11 rue Simon-Crubellier.

perec-puzzle-piece

Georges Perec (1936-1982)

Wat is er aan de hand met dat gepuzzel op de 11 Rue Simon-Crubellier?
Te midden van veel zwarte details, zoals ik in het eerste blog uit deze serie liet zien, is een aantal bewoners in dat flatgebouw met elkaar betrokken bij een krankzinnig verhaal over aquarellen en puzzels.
Maar in feite vindt er in dit verhaal een ritueel vernietigingsproces plaats.

AQUARELLEN

Zoals Perec in een eerdere roman (over zijn jeugd, op zoek naar een verzonnen eiland W) zelf de wereldzeeën was afgestruind, laat hij nu een steenrijke bewoner aan de 11 rue Simon-Crubellier, een Engelsman, de wereld afstruinen om zee- en havengezichten te schilderen. Aquarellen, op papier, waarin een watermerk W van Whatman staat.
De miljardair, die met zijn tijd en zijn leven geen raad weet, wil zo het Zinloze van Alles, nutgeven. Hij doet er 20 jaar over, maakt 500 aquarellen, de laatste van de haven van Brouwershaven in Zeeland.

havensluis-Brouwershaven

Ad Kikkert (1914-1995): zeesluis Brouwershaven

De miljardair heet Percival Bartlebooth (let op zijn voornaam, bij Perec is Niets zomaar bedacht; ik denk aan Parsifal die op zoek was naar de Heilige Graal) en maakt er zijn levensdoel van.
Hij bedenkt een plan, waarbij meerdere bewoners van het flatgebouw betrokken raken.

BURENNETWERK

Voorafgaand aan zijn reizen, neemt hij eerst 10 jaar schilderles bij een buurman, die schilder is, Serge Valène. Een andere buur wordt zijn secretaris, die hem 20 jaar lang op reis vergezelt. Tijdens die reizen worden de aquarellen als pakketjes naar de 11 Rue Simon-Crubellier opgestuurd. De postzegels komen terecht bij een buurjongetje.

net-a-porter-vacation-kit-

Een buurman die houtbewerker is, Gaspard Winckler, vraagt hij om de 500 aquarellen op te plakken en er legpuzzels van te zagen. Die door een buurvrouw in mooie zwarte dozen worden bewaard met een zwarte strik erom heen.
Deze puzzels worden door de Engelsman 20 jaar later zelf in elkaar gezet. Het leven moet toch ergens zin voor hebben?
Maar daar laat Perec het niet bij.

PUZZEL

Het is een hele puzzel, dat boek over de 11 rue Simon-Crubellier, dat begint met een taai hoofdstuk over de ins en outs en de talloze vormen van legpuzzelstukjes. Je moet er maar doorheen komen, door dat eerste hoofdstuk!

tumblr_kqsblkZqxn1qa53j3o1_1280

Omdat ik zelf in een enorm woonblok woon, waarbij op mijn ene lift al 30 huisdeuren uitkomen, terwijl er vele liften zijn, hielp dit gegeven mij bij het lezen van het boek om me voor te stellen hoe er allerlei kruislingse dwarsverbanden ontstaan tussen de diverse bewoners van dat 10-etages hoge Parijse flatgebouw. Er spint zich een heel netwerk van burencontacten rond dat verhaal over puzzels en aquarellen.
Perec maakt er een spel van. Een spel dat hij speelt met de lezer.

RITUELE VERNIETIGING

22801697-houten-schildersezel-met-leeg-canvas-geïsoleerd-op-zwarte-achtergrond

Vanaf het begin is het plan van de miljardair, om de puzzels ook weer te laten verdwijnen. Om de legpuzzels weer terug te brengen tot de oorspronkelijke aquarel.

Sterker nog: ook de aquarellen wil hij laten verdwijnen, m.a.w. hij wil de water-verf-achtige herinneringen aan de zeegezichten laten oplossen in het Grote Niets.

Door het oplossen van de aquarellen tot opnieuw een blanco vel papier met het watermerk W erin, “zou het hele project in zichzelf verdwijnen zonder sporen na te laten”.

Het plan van de re-aquarellisatie van de puzzels had geen enkel nut. Maar dat vond de Engelse miljardair prima. Het ging hem om “niets“.

Om zover te komen moet dan eerst een buurman op de 11 rue Simon-Crubellier iets verzinnen om de puzzelstukjes weer naadloos aan elkaar te plakken. Een ander verzint een procedé om de aquarel weer los te weken van het hout. En daarna wil de miljardair de aquarel op de plaats waar ie geschilderd is, terugbrengen en op rituele wijze bewerken met een oplosmiddel.

13466missing_jigsaw_puzzle1[33699]

Als een buurman, die tv-producent is, van dit rituele vernietigingsproces hoort en ervan een tv-uitzending wil maken, loopt het – na veel gesoebat en concessies met Bartlebooth – uiteindelijk uit op het verbranden van de filmopnames.
Vooral nadat een kunstcriticus, die er wel een modern kunstproject in ziet, er 10 miljoen dollar voor heeft geboden.
B

artlebooth wil dat helemaal niet.
Het hele proces van de aquarel-puzzel-vernietiging raakt zo verstoord in zijn opzet. En uiteindelijk besluit de Engelsman dat hij de rest van de puzzels in de zwarte dozen zou laten “en in een verbrandingsoven” zou gooien.

Zo speelt Perec met metaforen.

Ondertussen zit de schilder Valène, de oudste bewoner van het pand, voor een leeg schildersdoek en mijmert hoe hij dat flatgebouw aan de 11 rue Simon-Crubellier met al die mensen erin zou kunnen schilderen.

14072Rembrandtzijnatelier

1629 Rembrandt in zijn atelier

Hij denkt aan “de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”.
Hij “had soms de indruk dat de tijd stil was blijven staan”.
“Alleen al de gedachte aan het schilderij dat hij van plan was te maken (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)”.

Maar als Valène sterft, is het schilderij op zijn schildersezel nog praktisch maagdelijk wit.

VLAKGOM

Het verdwijn-thema komt in allerlei details terug, ook in zijlijnen. Zo wordt in de zak van een regenjas van een vroegere Joodse bewoner van het pand, die bij een razzia wordt opgepakt, door de Gestapo een doosje gevonden met op het deksel: een reclametekst voor “vlakgom veeguit“.
Ook gaat iemand dood aan het overmatig kauwen op het gummetje van zijn potlood.
Het lijkt een volkomen onbeduidend detail, over de man van de concierge, maar in het vernuftig geconstrueerde boek van Perec worden errugh veel details opgesomd, en bijna geen één detail is onbeduidend.
Vlakgommen wissen dingen uit. En daar gaat het over bij Perec. Hij speelt met het thema van vergeten, uitwissen, oplossen in het niets.

1040214

Een kruimeldief en het mondstuk van een steelstofzuiger: 2 schoonmaakobjecten in brons in het kunstwerk 11 rue simon.Crubellier, van Matthew Darbyshire, Stadionplein 2018

VERNIETIGING IN DE KUNST

Het brengt bij mij – hoe kan het ook anders – toch ook andere kunstprojecten in gedachten. Perec kan, behalve door zijn jeugd, ook geïnspireerd zijn door de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg (1925-2008), die in 1953 een kunstwerk van de beroemde Nederlandse Willem De Kooning (1904-1997) uitwiste.
Erased De Kooning” heet het. Het is in 1998 aangekocht door het San Francisco Museum of Modern Art. Een leeg uitgewist schilderij dus! Het wordt in postmoderne kunstkringen gezien als een neo-dadaïstisch conceptueel kunstwerk.

Leuke video van Rauschenberg over zijn uitgewiste schilderij:

694

Banksy versnippert, oktober 2018

En dan Banksy natuurlijk laatst!
Wat te denken van de Britse straatkunstenaar in oktober 2018 met zijn stunt op een veiling om zijn eigen kunstwerk te versnipperen, net nadat het verkocht was voor 1,2 miljoen euro. De kunstwereld werd voor gek gezet.
De opzet was dat alles versnipperde. Maar na de gedeeltelijke versnippering is het kunstwerk prompt 2 miljoen waard geworden, omdat er die avond tijdens de veiling een nieuw kunstwerk is ontstaan ;-).
Video: https://www.telegraaf.nl/video/2697725/banksy-onthult-snipperstunt-mislukt

rompecabezas-puzzle

Het puzzelstukje, de Jeugdherinnering W, past niet in de puzzel.

W

Als Bartlebooth uiteindelijk sterft, mist er één puzzelstukje op het zwarte tafelkleed. Het heeft de vorm van een X.
Een kruis, zou je kunnen zeggen.

In zijn hand heeft hij een puzzelstukje in de vorm van een W.

En W verwijst bij Perec naar alles wat met zijn verdwenen moeder te maken heeft en naar zijn

W

roman “W en de Jeugdherinnering” over een fictief eiland W, vol kadaverdiscipline en – hou u vast – Olympische Spelen, bizar genoeg.

(Boekcover-ontwerp van Perec met Olympische ringen van prikkeldraad)
Een krankzinnige speling van het lot wil dat Amsterdam Stadsdeel Zuid het kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire recht tegenover het Olympisch Stadion plaatst.

(Wordt vervolgd)

Een kunstwerk: een gebruiksaanwijzing

Als het kunstwerk van Matthew Darbyshire in Amsterdam binnenkort wordt onthuld, bestaat voor het eerst het Franse woonadres 11 Rue Simon-Crubellier in werkelijkheid. Omgetoverd vanuit fictie, vanuit een roman, naar een monumentaal kunstwerk op het Stadionplein: als betonnen 3-kamerappartement van 65 m² met bronzen meubels in zwart.
Nergens anders ter wereld bestaat de 11 Rue Simon-Crubellier. Een kunstwerk met zo’n naam vraagt om verder onderzoek. Wat is dat voor adres, waarvan Matthew Darbyshire niet de eerste kunstenaar blijkt die zich hiermee bezighoudt?

1040164

11 Rue Simon-Crubellier, Matthew Darbyshire. Stadionplein, 2018

Darbyshire (1977) heeft als Brit het woonadres uit een Franse roman van Georges Perec (1936-1982) als titel gekozen, zegt hij desgevraagd, omdat hij dat wel “romantisch” vond en in het kader van de huidige Brexit-discussie wel een mooi statement. Een Nederlandse titel vond hij wat obligaat. Hoewel ik dat niet meteen begrijp (bij een gemeenteopdracht vanuit Amsterdam) maakt hij zijn kunstwerk er wel veel intrigerender door, veel internationaler. En dat is slim van de Brit.

Australische videokunstenaars gingen in 2004 al op zoek naar de 11 Rue Simon-Crubellier, in een multi-mediaproject rond de straatnaam, om te kijken of een verzonnen adres uit een roman werkelijkheid kan worden, louter omdat je ernaar op zoek gaat. Op You Tube is te zien hoe ze ambtenaren met vragen over het niet-bestaande adres gekmaken.
Art-video 2004, kijk online, deel 2: “Searching for Rue Simon-Crubellier”:

Een Belgische striptekenaar Brecht Evens (1986) heeft in 2015 het flatgebouw geïllustreerd.

1453377443852

La vie Mode d’emploi, Perec par B. Evens. Illustratie Brecht Evens

Een andere kunstenaar, Max Richter (1966), een Britse componist van Duitse oorsprong die dit jaar nog in het Concertgebouw een zgn. ‘Sleep-concert’ gaf van 8 uur lang, wijdde in 2008 een meditatieve compositie aan de Simon-Crubellierstraat.
Muziekvideo “Circles From The Rue Simon-Crubellier”: luister online:

In 2018 nu sleept de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire het fictieve adres in 3 D, als sculptuur, de werkelijkheid in. “Concrete” is het Engelse woord voor beton. De Brit heeft een fictief adres in grijs beton concreet gemaakt. Als Environmental Art, op het Stadionplein. Je kunt erin gaan zitten.

1040079

Op verzoek van bewoners, die een fontein als kunstwerk wilden, zijn er “waterelementen” in opgenomen

11

9200000052067929

In juni 2017 tijdens een studieavond – vol met Perec-ologen – van Atheneum Boekhandel en de Universiteit van Amsterdam werd me voor het eerst duidelijk dat het huisnummer 11 door de Franse schrijver, die het adres verzon, niet zómaar gekozen is.
Georges Perec is bekend met getallensymboliek, vanuit de Joodse kabbala. Cijfers, getallen en wiskundige formules blijken essentieel voor de Frans-Poolse Joodse schrijver (1936-1982).
De hele roman van 511 pagina’s over bewoners in een groot Parijs’ flatgebouw aan de 11 Rue Simon-Crubellier kun je niet loszien van ander werk van Perec. Het woonadres blijkt vooral een metaforisch levensverhaal over hemzelf te zijn.

20180923_123306B

Dr. Manet van Montfrans, gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, verbonden aan de leerstoelgroep Moderne Europese Letterkunde is gepromoveerd op Perec en heeft een zeer leesbaar boekje geschreven, dat als handleiding kan dienen om de roman beter te begrijpen. “George Perec: een gebruiksaanwijzing“.
Een knipoog naar de Nederlandse vertaling “Het leven een gebruiksaanwijzing” van de Franse roman: “La Vie Mode d’emploi”.

s-l300

Perec is in Frankrijk bepaald geen onbekende. Er is notabene een asteroide, een kleine planeet, naar hem vernoemd, dus als wij in Nederland Perec slechts in kleine kring kennen, zegt dat meer over ons dan over de Franse schrijver.
Hij heeft 2 belangrijke Franse literatuurprijzen gewonnen, stond op een Franse postzegel, er zijn straten naar hem vernoemd, een school en verschillende bibliotheken. Hij wordt gezien als een (jong gestorven hedendaags) schrijver, behorend tot de Grote Klassieken.

TRAUMA

Essentieel voor Perec en zijn hele oeuvre blijkt: het op transportstellen naar Auschwitz van zijn moeder op 11 februari 1943. Zij werd tijdens een razzia uit zijn geboortehuis in de Rue Vilin in Parijs gehaald. Ook zijn tante en 2 opa’s “verdwenen” in de oorlog. Perec was zes jaar toen hij in 1942 voor het laatst zijn moeder zag. (Zij bracht hem in een Frans bergdorp in veiligheid). Hij was 4  toen zijn vader sneuvelde in 1940 als soldaat in het Franse leger.
Ik heb geen jeugdherinneringen aan mijn ouders,” zegt hij daarover, in een intrigerend verzonnen boek over zijn jeugd: “W en de Jeugdherinnering”, waarop ik in een volgend blog nog terugkom i.v.m. het Stadionpleinkunstwerk. En: “Mijn moeder heeft geen graf”.

Het thema Verdwijnen, oplossen in het Niets blijkt het kernthema van Perec. Ook op de 11 Rue Simon-Crubellier (volgend blog).

Ook het woonadres uit zijn jeugd aan de Rue Vilin verdwijnt, als na de oorlog de Parijse wijk verpaupert en op de schop gaat voor nieuwbouw. Perec legt dan met pen en papier en ontelbare zwart-wit foto’s een gigantisch gedetailleerd archief aan over die straat uit zijn jeugd. Als een soort stadsarchivaris of socioloog, in een poging het verleden vast te houden. (zie: video onderaan)

Plaque_perec

Bordje “Verdwijning” door Christophe Verdon, als eerbewijs aan Georges Perec. Café de la Mairie, Place Saint-Sulpice Parijs

Ook schrijft hij een belangrijke roman waarin de letter e verdwenen is. Een essentiële letter in het Frans.

Samen met een jeugdherinnering aan een soort Hebreeuwse letter, die lijkt op een J, vormt het boek over de verdwenen letter E en zijn latere boek over zijn jeugd, waarin hij een eiland W verzint, zich tot het woord JEW, zo leer ik uit de fascinerende Franse documentairefilm over Perec. (zie onderaan).

P1030924

11 Rue Simon-Crubellier als mausoleum

Als eerbetoon aan zijn gedeporteerde familie en de verdwenen straat uit zijn jeugd richt Perec dan, in zijn fantasie, een giga flatgebouw op aan de 11 Simon-Crubellier, in zijn magnum opus “Het leven een gebruiksaanwijzing “. Hij propt het boordevol met mensen en met spullen.
Hij laat dat de oudste bewoner van het pand, de schilder Valène, in feite vertellen: een kunstenaar die een dwarsdoorsnede van het flatgebouw wil schilderen (p.239/138)

Hij zou zelf op het schilderij voorkomen, op de manier van de renaissanceschilders, die altijd (-) een heel klein plaatsje voor zichzelf reserveerden (-) alsof hij niet wilde dat het opgemerkt zou worden, alsof het alleen maar een signatuur voor ingewijden moest zijn (-) als een waakzaam spinnetje dat zijn glinsterende web weeft (-)
“alleen al de voorstelling die hij zich maakte van dat opengebroken pand dat de scheuren van zijn verleden (-) toonde (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)”

Het flatgebouw aan de 11 Rue Simon-Crubellier als mausoleum, als praalgraf.
Als je meer weet over Perec , dan herken je in het antiekwinkeltje onderin het flatgebouw de kapperszaak van zijn vermoorde moeder en in de levensverhalen van alle bewoners – én in hun voornamen – stukjes en beetjes van verdwenen familieleden van Perec. Of andere boeken van Perec.
Wat een vernuftig, complex bouwwerk, dat boek!!! Ingewikkeld, taai, maar mateloos intrigerend hoe iemand zijn oorlogstrauma’s verwerkt in literaire fictie. Met een fascinatie voor alledaagse spullen. Alsof je met al die materie het verleden bij je kunt houden.

1040167

42 zwarte objecten

Hoewel het Zwart in het kunstwerk van Matthew Darbyshire nogal opvalt, zegt de Brit mij, niet zozeer uit biografische redenen voor de straatnaam van Perec te hebben gekozen. Meer is hij gefascineerd door de enorme complexiteit van Perec’s boeken, de ingewikkelde structuur ervan en de zelf opgelegde regels en inperkingen.

Zo heeft de schrijver bijvoorbeeld in elk woonvertrek aan de 11 Rue Simon-Crubellier en in elk hoofdstuk 42 objecten willen onderbrengen. Geen 43, wat naar 1943 zou kunnen verwijzen. Maar 42.
Er ontbreekt er bij Perec altijd éèn.
Zoals de letter e ontbrak in een boek, zo beschrijft hij van de 100 woonvertrekken aan de voorkant van het flatgebouw er maar 99.
Of: in 1942 zag Perec zijn moeder voor het laatst.

1040096

Citruspers van Alessi/Philip Starck en mixer van Smeg

Vervolgens tel ik 38 designobjecten in het kunstwerk van Matthew Darbyshire, maar als ik de zwart-bronzen douchekop, 2 kranen en wc-bril in brons meereken, kom ik op 42 zwartbronzen objecten. (Als ik de Imac op het bureau met toetsenbord als 1 reken).
Op deze manier verbindt Darbyshire zich vermoedelijk aan Perec. Meer om formele, dan om biografische redenen.

DARBYSHIRE

Vooral die inperkingen die Perec zichzelf oplegt, intrigeren Darbyshire. Zelf heeft hij het zich ook niet gemakkelijk gemaakt, door zich in zijn interieurkeuze van het Stadionplein-appartement te beperken tot alleen design-meubels, die in Nederlandse musea staan en/of in Nederlandse winkels te koop zijn. Om zich vervolgens vrijwillig te laten inperken door buurtbewoners, die hij liet kiezen uit een selectie van 5, per design-object.
M.a.w.: de kunstenaar koos 5 designbanken uit en Stadionbuurtbewoners kozen daaruit de bank van Jan de Bouvrie. Zijn eigen opsommingslijsten brengt Darbyshire zo in verband met de lijstjes die Perec graag maakt in zijn boeken.

Max Richter benadert met zijn muziek Perec vermoedelijk het meest inhoudelijk. Vooral als ik zie dat Richter ook een compositie heeft geschreven over de Rue Vilin, de straat uit Perec’s jeugd, de straat van de razzia, denk ik:
Als je dàt doet, ja, dan heb je Perec “begrepen”.

In een volgend blog laat ik zien welke metafoor Perec aan zijn 11 Rue Simon-Crubellier gebruikt voor het verdwijnen van zijn Joodse familie.
(wordt vervolgd)

  • Op You Tube zijn er talrijke Franstalige video’s die inzicht geven in de Joodse roots van Perec.
  • In bijgaande film wordt duidelijk hoe zijn jeugd zijn gedetailleerde schrijfstijl, zijn obsessie voor objecten, straten en huizen heeft beïnvloed.

© Overname van gedachtengoed uit deze column: graag met bronvermelding

Dit is deel 2 in een serie van 6 blogs over 11 rue Simon-Crubellier

  1. Zie website van mw. dr. M.A.E. van Montfrans: http://www.manetvanmontfrans.nl/index.php/2018/12/29/de-rue-simon-crubellier-in-amsterdam/
  2. Blog 1 over Zwart in 11 Rue Simon-Crubellier;
    https://marionalgra.wordpress.com/2018/10/17/het-gevoel-van-zwart/
  3. Blog 3 over de boekinhoud: https://marionalgra.wordpress.com/2018/11/04/het-leven-een-puzzel/
  4. Blog 4 over de plaats van dit kunstwerk in het werk van Mathew Darbyshire: https://marionalgra.wordpress.com/2018/11/08/hygiea-hercules-perec/
  5. Blog 5: Stadionbuurters als bezoekers van het kunstwerk 11 rue Simon Crubellier: https://marionalgra.wordpress.com/2018/12/01/anybody-home/
  6. Blog 6: “What’s in a name”, over de Joodse context van 11 rue Simon-Crubellier: https://marionalgra.wordpress.com/2019/05/01/whats-in-a-name/
  7. Zie film van Australische kunstenaars: Searching for 11 Rue Simon-Crubellier, dl 1: https://youtu.be/WE_zH3D0mNM

Architect tot 1941

Gestold in de tijd. Aan de Stadionweg 44 ligt een privewoning, maar eigenlijk is het een museumwoning. Het is een rijksmonument. De huidige bewoner zat me tijdens Open Monumentendag 2015 op de hielen en had weinig tijd. Lekker vrij rondlopen was er niet bij. Je voelt je ook wel een gluurder als je door iemands huiskamer mag rondbanjeren en iemands toilet wordt binnengeleid om de groene betegeling en groene beglazing te bewonderen: alles geconserveerd in een stijl van rond 1930.”

“Kunst en Ambacht” was op die Open Monumentendag het thema, zoals dat vorig jaar “Stad en land” was en ik in mijn column “Na Druk Geluk” de lommerrijke Amstelveenseweg een monument noemde, als verbindingsader met de vroegere landerijen rondom Amsterdam.

Het thema “Kunst en Ambacht” brengt je al snel bij de Amsterdamse School: bouwstijl van begin 20e eeuw, waarbij glas-in-lood, artistiek metselwerk- meubels en design als kunstzinnige ambachten samengingen met de bouwkunst.

P1030399
Rijksmonument 1928: Stadionweg 44.
Het hele interieur in die Stadionwegwoning – van mahoniehouten lambriseringen, ingebouwd theemeubel, Art-Deco lampen tot glas-in-loodwand in het trapportaal – was op elkaar afgestemd. Een Gesamtkunstwerk, zoals Amsterdamse School-architecten dat graag bouwden.
P1030254
Woonhuis Elte, 1928. Ontwerp groenglazen bouwstenen naast de voordeur is van H.P. Berlage
HARRY ELTE (1880 – Theresienstadt, 1 april 1944)

De woning was tot 1942 van architect Harry Elte. Hij had de woning voor zichzelf gebouwd. De lamp in het trappenhuis is ook van zijn hand, het glas-in-lood van glazenier Willem Bogtman, met wie veel Amsterdamse Schoolarchitecten samenwerkten.
Harry_ElteElte was een Joods architect, die voor veel Joodse opdrachtgevers bouwde: bedrijfspanden, winkels, Joodse instellingen en diverse synagogen. Maar ook privéwoningen, o.a. in Amsterdam-Zuid.

Net voordat de crisisjaren ’30 aanbraken – en de stad zich vanaf het Concertgebouw (1888) verder zuidwaarts uitbreidde – bouwde Elte achter de Apollolaan, schuin tegenover zijn eigen huis, zo’n 14 villa’s. Het is het chiquere deel van de Stadionweg, een villawijkje tussen Stadionkade en Stadionweg in. In de Schubertstraat hield Elte zelf een architectenkantoor met 6 man personeel.

P1030267
Voorbeeld van een Elte-villa, Wagnerstraat 2-4, met inpandige garage, 1929. Op de achtergrond: de Sociale Verzekeringsbank, hoek Stadionweg/Apollolaan
Het was de gegoede burgerij die zich in deze eerste en tweede ring van Zuid achter het Concertgebouw vestigde. De villa’s hebben vaak een centrale ontvangsthal, inpandige of aangebouwde garages, centrale verwarming, erkers, serres en balkons. Hoewel hij doorgaans privéopdrachten kreeg, bouwde Elte langs de Stadionkade in 1931 een groot woonblok, met daarin ruim 30 woningen.

20180428004400
Woonblok aan de Stadionkade, Holbeinstraat, Velasquezstraat en Rubensstraat, 1931

De schoonheid zit ‘m vaak in de details: het metselwerk, een extra bouwelement als accent, een vloermozaïek of betegeld wandtableau in een trapportiek. Als geboren Stadionbuurtbewoner ken ik deze robuuste bouwstijl ‘van huis uit’ en fiets er gewoonlijk aan voorbij. Maar vandaag, vandaag sta ik er ineens bij stil.

Letterlijk sta ik met mijn fiets stil bij de huizen die Harry Elte ons in Zuid heeft nagelaten. Nu ik me er bewust van ben geworden, dat het Elte is, aan wie we sinds 1914 de naam ‘Stadionbuurt’ te danken hebben, de naam Stadionplein en Stadionweg e
n dat die naamgeving losstaat van het Olympisch Stadion uit 1927.

hetstadion00
Eltes stadion, naamgever van de Stadionbuurt, gebouwd in 1912, afgebroken in 1929 voor woningbouw. Op de achtergrond de landerijen van Buitenveldert.
STADIONBUURT

Aan de Zuidrand van de toenmalige stad, omgeven door landerijen, bouwde Elte het eerste nationale voetbalstadion in 1912, voor 30.000 toeschouwers. Op de plek, waar nu de Argonauten- en Jasonstraat liggen. Vanaf 1914 sprak de pers van een “Stadionplein” als men de ruimte voor het stadion bedoelde, waar chique zwarte auto’s geparkeerd konden worden. De gewone man had toen nog geen auto.

oudetsadion1914artistensportfeest
artiestensportfeest, 1914 in Elte Stadion, Stadionplein

Vijftien jaar later bouwde architect Jan Wils ertegenover, aan de andere kant van de Amstelveenseweg, nog een tweede stadion, voor de Olympische Spelen van 1928. Tijdens de Spelen werd Eltes stadion gebruikt voor oefenwedstrijden. Maar in 1929 werd het afgebroken voor verdere uitbreiding van ‘Plan Zuid‘ van H.P. Berlage, voor massale woningbouw in de Stadionbuurt.

20110611_hetstadion005
april 1929, sloop van Eltes Stadion

Elte is niet de architect van de wulps golvende gevelwanden van vroege Amsterdamse Schoolarchitecten, als Michiel de Klerk of Piet Kramer, maar Elte hoort bij de sobere, strakkere Late Amsterdamse Schoolstijl, als leerling van – en werknemer ooit – van Berlage.
En dat kun je zien, als je denkt aan het Beursgebouw aan het Damrak in Amsterdam of aan de Burcht van Berlage (het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamant Bewerkersbond) in de Henri Polaklaan in Amsterdam-Oost, in welke straat ook Elte monumentale panden voor Joodse instellingen neerzette.

Stoere, kloeke torens bouwde Elte, ook in zijn villa’s in de Stadionbuurt zie ik dat in forse schoorstenen wel terug; ook bij een driedubbele villa van Eltes hand in de Willemsparkbuurt, langs het Vondelpark. En in zijn beroemde “Obrecht-sjoel”, aan het Jacob Obrechtplein, richting Concertgebouw.

In de gevel staat in het Hebreeuws een regel uit Psalm 84: “Hoe lieflijk is uw woning, Heer van de hemelse machten”. En op de grote luifel: “Ik heb U een prachtig huis gebouwd” (Koningen I, hoofdstuk 8, vers 13).

20180427200049
1927:  Raw Aron Schuster Synagoge, Jacob Obrechtplein
Die luifels zijn ook kenmerkend voor Elte. Zowel Berlage als hij waren bewonderaars van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright (1867-1959) en dat zie je terug in de ruim overhangende dakranden en overkragingen bij Elte.
20180427115125
Driedubbele villa, Sophialaan 2-6, Willemsparkbuurt. Entree met luifel. 1920

ENTREE

Een deur is niet zomaar een deur bij Elte. Altijd zal er wel een geometrisch gemetseld pilaartje bovenaan een toegangstrapje of een abstract houtelement in de deur zijn, die de entree van het huis accentueert. Kom Binnen, roept het huis. Het geeft je volgens mij een welkom gevoel. Ik zie dat zowel bij de ingang van de synagoge op het Obrechtplein als in de stadsvilla’s in Zuid.

1030271-1
tegelplateau-en vloermozaiek in trapportaal Velasquezstraat 3

Hij speelt ook met lichtinval. Ik zag dat in 2015 in het zachtgroene schijnsel van de glas- in-loodramen in de toilet van zijn eigen woonhuis, maar ook zie ik dat in het trapportiek aan de Velasquezstraat en, zo lees ik, binnenin de synagoge speelt lichtinval bij Elte via het vele glas-in-lood een hele spirituele rol.

JODENVERVOLGING

Eltes eigen woning is qua interieur gestold in de tijd, schreef ik niet zonder reden. Het is zowel bijzonder, als wrang dat het huis aan de Stadionweg vanbinnen in dezelfde staat verkeert, waarin Elte zijn woning onvrijwillig heeft moeten verlaten tijdens de oorlog.

Vanaf 1941 mocht hij als Jood geen leiding meer geven aan zijn eigen bedrijf; in 1942 werd hij met zijn vrouw gedeporteerd naar Westerbork. Zoals vele, vele andere Joden uit de Stadionbuurt. In Theresiënstad overleed hij op 1 april 1944 aan een longontsteking.

VERDWIJNEN

Van Verdwijnen naar Herdenken. Die stap kunnen wij als Stadionbuurtbewoners zetten, als we ons ervan bewustworden dat Elte met zijn stadion de naamgever van onze buurt is, waaraan ook het Stadionplein haar historische naam te danken heeft.

Eerst moest zijn stadion verdwijnen in 1929, toen Elte zelf in 1942 en nu moet, volgens B & W van Amsterdam ook zijn Stadionplein verdwijnen?

Als bewuste Stadionbuurters zijn we van plan dat anders aan te pakken. Er gaan stemmen op om juist Elte – en de vele, vele andere verdwenen Joden uit de Stadionbuurt – eindelijk te gaan herdenken.
Met een beeld, een monument of Stolpersteine: zogenaamde struikelstenen met naamplaatjes van messing, bij woningen van verdwenen, gedeporteerde en vermoorde Joodse buurtgenoten.
Eén van die adressen kennen we al. Stadionweg 44.

Nimf met straatverleden

14223190560_3a1e6c93f2_b
Euterpe: scuptuur van Pierre Francois Berruer, 1780, Grandtheater Bordeaux. Foto 2014, Valery Hugotte

Ze was een nimf. Euterpe. Muze van de poëzie. En de beschermgodin van menig koor of muziekvereniging. De Oude Grieken droegen onder begeleiding van muziek hun gedichten voor. Vandaar dat Euterpe als sculptuur meestal wordt uitgebeeld met een muziekinstrument.
Na 1945 was haar frivole, poëtische naam voor een straatnaam in Amsterdam-Zuid niet langer gepast, de straat was haar blije karakter volkomen kwijt. Er was teveel gebeurd. De naam was besmet. Uit haar midden, vanaf een centraal pleintje, waren ruim 18.000 joden afgevoerd. Euterpe verdween.  Ze is nu een nimf met een straatverleden. En heet Gerrit van der Veen.

Euterpe
Een treurende Euterpe, op het graf van de Frans/Poolse componist Frederic Chopin, Père Lachaise Cemetery, Paris. Foto: Panoramio, 2011, Martin van den Bogaerdt
Apollo, god van de muziek en Euterpe, Detail van een sculptuur uit 1844 van de Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen The Dance of the Muses on Helicon : Foto: Frank M. Rafik, Berlijn.

Euterpe hoorde met haar muzische karakter bij de Beethovenstraat, het Bachplein, de Schubert- en Chopinstraat en de grote laan in Zuid, die naar de Griekse God van de muziek, Apollo, is vernoemd. Euterpe verbond als dwarsstraat de schildersbuurt van Michelangelo, Rubens en Jan van Eyck, met de musici. Zoals het een heuse Godin van de Kunsten betaamt.

Op die Apollolaan, even achter de vroegere Euterpestraat, wordt nog jaarlijks op 4 mei de oorlog herdacht. Het is voor mij een vertrouwde plek. Als kind liep ik aan de hand van mijn vader met de buurman, en soms de buurjongens, mee ernaar toe. En nog kom ik er. Het is altijd een plechtig moment, die stilte, te midden van de vele mensen met een keppeltje op. Zuid heeft sinds de jaren ’30 altijd veel Joden gehuisvest. Het indrukwekkendst vond ik misschien wel, toen in 1995 Simon Wiesenthal (1908-2005) er sprak, de Joodse Oostenrijker die wereldwijd vele Nazi-oorlogmisdadigers opspoorde. “Als haat en bruutheid een verbintenis aangaan met de technologie, is het gevolg een catastrofe”, waarschuwde hij. Na afloop van de herdenking zag ik hem hotel ‘ApolloFirst’ ingaan. Zou hij wel hebben geweten wat voor plek dat was?

’40-’45

Als over iemand in de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam werd gezegd: “hij is naar de Euterpe” dan beloofde dat weinig goeds.
Schrijver Heere Heeresma (1932-2011) woonde toen in de Stadionbuurt en beschrijft in ‘Een jongen uit plan Zuid’ en ‘Kaddish voor een buurt’ hoe hun onderduiker Johan werd opgepakt op de Marathonweg en werd afgevoerd “naar de Euterpestrasse”. De straat had in de volksmond gewoon een Duitse bijnaam gekregen!
Verschillende panden en scholen in Zuid waren door de nazi’s gevorderd. In de Euterpestraat twee scholen tegenover elkaar, de meisjes-HBS en de Christelijke HBS. Daar was de Duitse Staatsinlichtingendienst ingetrokken, de Sicherheitsdienst, de SD. En ook de Geheime StaatsPolizei, de Gestapo.

Duitse soldaten op de brug voor het Amsterdams Lyceum, bij de Apollolaan
Grüne Polizei bij Amsterdams Lyceum, bij Apollolaan.

Beneden in de kelders van de HBS werden verzetsmensen en joodse Amsterdammers gemarteld en verhoord. Heeresma: “Ik heb hem horen jammeren, huilen, genade smeken, alles”  ( uit ‘Kaddish voor een buurt’).

c14203d6d17c4229e214fcc786deb966
Sicherheitsdienst in de meisjes-HBS in de Euterpestraat

Behalve de SD en de Gestapo was er ook de ”Zentralstelle für jüdische Auswanderung” gevestigd (letterlijk vertaald ‘Centraal bureau voor Joodse emigratie’) die de deportatie van Joden uit heel Nederland voorbereidde.
Vanaf het pleintje midden in de straat, het Adama van Scheltemaplein, werden tussen 1941 en 1943 ruim 18.000 joden verzameld en afgevoerd. Via de halte van tram 24 in de Beethovenstraat naar het Centraal Station, Westerbork en concentratiekampen in Polen en Duitsland.

20170428_121655_resized
Duitse militairen op Valeriusplein, bij no. 38-40. Foto: J.W.Hofman

Vanuit het hoofdkwartier in de Euterpestraat regelden de nazi’s de organisatie en deportatie van in totaal 70.000 Amsterdamse Joden. Het is anno nu bijna niet voor te stellen. “Die Fahne hoch, die Reihen festgeschlossen” klonk het op de Stadionweg uit kelen van marcherende Wehrmachtsoldaten, schrijft Heeresma. De Duitse Kriegsmarine had een kantoor op de hoek Olympiakade. En over die kade hing volgens Heeresma eind ’44-’45 heel lang een spandoek: “V = Victorie, want Duitschland wint op alle fronten“.

Toen er in Amsterdam geen Joden meer te deporteren vielen na 1943 richtte de SD in de Euterpestraat zijn activiteiten op het ontmantelen van het Nederlandse Ondergrondse Verzet. De ‘ondergrondse’ besloot toen een centrale SD-officier te liquideren. Als repressaille werden daarop 29 Nederlanders op de Apollolaan, hoek Beethovenstraat door de nazi’s geliquideerd. Daar, waar nu jaarlijks de oorlog wordt herdacht.

Euterpe zag het allemaal.

En Euterpe verdween.

Direct na de oorlog, al in 1945, werd haar naam veranderd in Gerrit van de Veenstraat, zoals ook de middelbare school nu Gerrit van der Veen College heet.
Gerrit van der Veen (1902-1944) was een Amsterdamse verzetsman en beeldhouwer, die betrokken was bij de overval op het Amsterdamse Bevolkingsregister in Amsterdam-Oost. Zoals bekend, wilde het Verzet de administratieve persoonsgegevens van het Bevolkingsregister vernietigen, om het de Duitsers moeilijker te maken mensen te deporteren of op te pakken. Anno nu vind je bij Artis van deze verzetsactie een klein herdenkingsmonument. Van der Veen werd in 1944 in de duinen bij Overveen gefusilleerd, waar een jaar later ook de communistische verzetsvrouw Hannie Schaft werd gefusilleerd, het Meisje met het Rode Haar. Zij zat vlak voor haar executie nog geïnterneerd in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Zuid, lees ik.

Van de hand van Gerrit van der Veen, de beeldhouwer, staat sinds 1946 een standbeeld op de Churchilllaan in Zuid, gemaakt in 1939. Het verbeeldt Wilhelmina Drucker, de feministische voorvechtster (net als Aletta Jacobs) voor het Vrouwenkiesrecht, uit de Eerste feministische Golf (1870-1920). Haar naam kennen we beter via Dolle Mina, uit de Tweede feministische Golf (1960-1985).

Wilhelmina Drucker (1847-1925), Churchilllaan, beeldhouwer Gerrit van de Veen (1902-1944)

De vroegere Euterpestraat zit nu vol met gedenkstenen.

Er zijn boeken over haar geschreven, zoals ‘Zwijgen over de Euterpestraat’ van Jan Hopman in 2012, hoe “op het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in 1944 verraad en verzet hand in hand gingen”.
In de boeken ‘De laatste huzaar’ van oud-militair en verzetsman Tonny van Renterghem en ‘De Koningin van Plan Zuid’ van Frank van Kolfschooten komt het luchtbombardement van de Engelsen met de Royal Air Force op de Euterpestraat ter sprake, het niet al te precies uitgevoerde luchtbombardement, eind 1944. Het SD-hoofdkwartier was het doelwit maar werd maar ten dele geraakt; de woonwijk des te meer, er vielen 69 doden, waaronder vier SD’ers. Toch was de schade aan de twee scholen zodanig dat de SD uit de Euterpestraat vertrok: naar hotel ‘Apollofirst’ op de Apollolaan.

Ik zou een weemoedige Chopin Nocturne met fluit onder deze column willen zetten. Om Euterpe als muzische nimf te gedenken. Die muziek zet ik op mijn Facebook-columnpagina onder de fotoreportage als video. Maar poëzie kan ik er niet van maken: zeer recent heeft iemand naast mijn lift iets over “Joden” op de muur gekalkt. Dit had ook de openingszin van deze column kunnen zijn…

DSC06165DSC06163DSC06149Plaquette_voor_Ox_en_Ploeger_in_de_Gerrit_van_der_Veenstraat_te_AmsterdamDSC06160

Zie:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE DENKERS VAN ZUID

2014-04-20 16.40.38
De Denker van Rodin, bij Hiltonhotel, Apollolaan

Het was een echte man uit Zuid, met een mini-mini hondje aan de lijn, een deftige stem, gebronst, donker costuum en met zijn wit-met zwarte herenschoenen met gaatjes, brogues ja, toch eerder Nieuwgeld dan Oudgeld, denk ik.
Zijn weinige haren waren glimmend achterover gekamd over zijn kale schedel heen, zijn colbert hing losjes om zijn schouders, zoals er mannen zijn die rode truien om hun schouders knopen.
Een man die aan het eind van onze ontmoeting op de Apollolaan, in het plantsoen voor het Hiltonhotel, “Ciao, ciao!” tegen me zou zeggen.
Het was een lenteachtige zondag en ik maakte een wandeling door de buurt.

2014-04-20 2014-04-20 002 077Ongelofelijk mooi he?” hoorde ik zijn stem – vragend – achter me.
Ik had net foto’s van De Denker gemaakt, het beeldhouwwerk van Auguste Rodin (1840-1917), links naast ’t Hilton (één van de vele afgietsels) en stond nu uitgebreid een dikke boom te fotograferen in het plantsoen voor het hotel, waarvan de bast mij uitermate fascineerde: het leek wel kanten houtsnijwerk wat er in de loop der jaren overheen gespannen was.2014-04-20 2014-04-20 002 078Sinds ik niet meer werk,” begon hij, “sta ik bij de dingen stil, heb ik tijd om bij dingen stil te staan.”
En met uw hondje buiten lopen, helpt zeker ook?”.
Hij knikte: “Als je loopt, ga je niet aan de dingen voorbij.”
We bewonderden de oude boom. Daarna wees ik hem op de Denker. Wat hij daarvan vond.
U weet dat het Dante is, de filosoof?”, vroeg ik: “Die Rodin bovenaan de Poorten van de Hel heeft gebeeldhouwd, uit Dante’s Goddelijke Komedie?”.
Hij keek me onderzoekend aan.800px-Hoellentor_Detail_grDoor mijn Dantestudie weet ik dat er eind 19e eeuw een nieuw Frans museum zou komen, waarvoor Rodin in 1880 een bronzen toegangsdeur zou ontwerpen. Een reliëf met taferelen uit het gedicht De Goddelijke Komedie van Dante: een Visioen over het Leven na de Dood.

1gatesofhellrodin
Dante bovenin de Hellepoort van Rodin, in Parijs

Zoals Florence haar bronzen Paradijsdeuren van de beeldhouwer Ghiberti heeft in de middeleeuwse Doopkapel, het Baptisteriumzo zou Parijs haar eigen bronzen 19e eeuwse museumdeuren met Helle-taferelen krijgen. Rodin werkte ruim 37 jaar aan dit epos.

En zoals een Christus bovenaan gotische en romaanse kerkportalen staat, zette Rodin Dante als filosoof bovenaan zijn Hellepoort neer, piekerend over het lot van de zielen na de dood.
Hij heeft zijn compositie nooit afgekregen, maar zijn “Poorten van de Hel” zijn in Parijs in het Musée Rodin te zien. Onderdelen uit die Hellepoort werkte hij ondertussen uit tot zelfstandige sculptuur en zo kennen wij o.a.. De Kus en De Denker.

EMOTIE

Wij hebben hier om de 2 jaar een beeldententoonstelling Art-Zuid rond de Apollo/ Minervalaan en toen heb ik De Denker toch maar mooi een maand lang voor mijn deur gehad!,” vertelde de man trots.
“Kijk, zei ik dan tegen mijn vrienden, “I am a philosopher!” …mevrouw, het is toch on-ge-lo-fe-lijk hoe je geëmotioneerd kunt raken door een beeld”.
“Jaha,” beaamde ik, “maar welke emotie maakt de Denker dan bij u los? Weet u dat?” 

De man gooide zijn armen wat hulpeloos wijd in de lucht, waardoor zijn loshangende jasje van zijn schouders gleed. “Tja, wat zal ik u zeggen….”
Hij keek me vragend aan, kwam er niet goed uit.
En u dan?” speelde hij snel de bal terug: “u toch ook? U heeft ‘m net staan fotograferen, u vindt ‘m ook prachtig, wat doet hij u dan?
Oef….hij piekert zich suf, daar met zijn elleboog op zijn knieëen, hij moet die hele tocht door het hiernamaals maken voor zijn Beatrice…” brainstormde ik, “hoe krijgt hij dat gedicht geschreven?… hij heeft het zwaar, hij gaat zwoegend door het leven…”.
De man bleef me al die tijd indringend aankijken, maar begon zich geloof ik ook wat ongemakkelijk te voelen: zijn ogen werden een beetje vochtig en rood. Het werd ‘m denk ik allemaal iets te persoonlijk.
Het hondje trok.

GEEN DROMER

2014-04-30 19.07.15A
Dante als Denker in het Olympisch Kwartier, bovenin mijn boekenkast

Het is geen dromer, maar een schepper,” zei Rodin ooit in een brief over “zijn Dante”, de Denker. Het beeld staat ook op het graf van Rodin zelf.

Er zijn stemmen die zeggen dat Rodin zich voor zijn Denker heeft laten inspireren door een beeld Il Pensiaroso van Michelangelo. Zelf zie ik dat niet zo, denk dan nog eerder aan Michelangelo’s fresco van de piekerende profeet Jeremia in de Sixtijnse Kapel, maar ik denk ook dat Rodin voor zijn Denker het schilderijDante’s Dream” van zijn tijdgenoot Sir Joseph Noel Patton voor ogen kan hebben gehad, een Schotse schilder uit de “pre-Raphaellitische kunststijl” (Veel Pre-Raphaëlieten in de 19e eeuw schilderden Dante’s romantische liefde voor Beatrice (o.a. Gabriël Rossetti).
Daar zit Dante piekerend voorovergebogen, met middeleeuws mutsje op. Eenzelfde afhangend mutsje zien we bij de Denker van Rodin.

2014-04-28 11.59.41
Bookcover in mijn kast: Sir Joseph Noel Patton, 1852: Dante Meditating

2014-04-20 16.39.24

Ik zei de man, dat ik nog even naar de andere “Denker” op de Minervalaan wilde doorlopen.
Maar dat is geen Rodin, en geen echte Denker”, waarschuwde hij mij.
Maar wat het wel was en van wie, wist ie ook niet.

HAVERMANS

Dat niet iedereen met een hand onder zijn kin een Denker hoeft te zijn, bewijst onze “nepdenker” op de kruising Minervalaan/ Stadionweg.
Het blijkt een steenplastiek van “Een rustende Atleet” te zijn, something quite different, van beeldhouwer Jan Havermans. Uit 1941, lees ik online.

2014-04-20 2014-04-20 002 092
Rustende atleet, van Jan Havermans, 1941

Uit 1941..? denk ik, eenmaal thuis googelend. Werden er dan gewoon middenin de oorlog beeldhouwwerken op straat geplaatst, terwijl om de hoek in de Beethovenstraat en bij ’t Olympiaplein de Joden uit hun huizen werden gehaald?

Ik moet aan de “Kulturkammer” denken, waar Nederlandse kunstenaars lid van moesten worden vanaf 1942; ik lees dat Havermans met de kunstenaar Paul Citroen in 1933 de Nieuwe Kunstschool oprichtte, naar model van het modernistische Bauhaus. En dat die vernieuwende kunstschool hier tot 1941 heeft bestaan. Tja…, het Bauhaus moest in Duitsland van de Nazi’s ook dicht, als zijnde Entartete Kunst.

Hoe deze moderne ‘Rustende atleet’ hier in 1941 geplaatst is, moet ik ooit maar voor een nieuw blog uitzoeken. Misschien was ie wel met zijn atletische esthetiek “op-zijn-Leni-Riefenstahl’s” Arisch verantwoord?

UPDATE:
1941 is verkeerde informatie. Dat moet 1951 zijn, meldt Hans Havermans, kleinzoon van beeldhouwer Jan Havermans, mij. Hij reageert per mail op bovenstaand blog. Het beeld is een Gemeente Opdracht geweest van 26 april 1940”, schrijft hij. Het beeld is voor het eerst tentoongesteld in juli 1950 in Antwerpen tijdens een internationale beeldententoonstelling (nu Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst, park Middelheim).
April 1951 wordt het op het Minervaplein geplaatst.
Hans Havermans: “Wat Jan Havermans betreft, hij had vele Joodse leerlingen , waaronder bijvoorbeeld Benno Premsela en de ontwerper Otto Treuman, hij was overtuigd partij communist . De schrijver Theun de Vries is bij hem ondergedoken geweest. Ik denk niet dat hij geassocieerd zou willen worden met Leni Riefenstahl.”
(waarvoor excuus).
De Nieuwe Kunstschool sloot niet in 1941 maar in 1943 haar deuren.

scannen0355
Jan Havermans, met alpinopet, bij zijn beeld

Dit stuk is eerder verschenen op 1 mei 2014 op Facebook als column: https://www.facebook.com/notes/face-to-face-column-olympisch-kwartier/column-de-denkers-van-zuid/249386918578260