Tagarchief: art

De Armen van Zuid

Details van sculpturen van Art Zuid:

Van het Apocalyptische Le Souffre van de Canadees David Altmejd, en Apollo Offering (Arman) via een Duikende Atleet van de Poolse Jerzy Kedziora naar details van de liggende La Rivière van Aristide Maillol en tenslotte detail van een muze, die haar armen naar de hemel uitstrekt, onderdeel van de houten Birth of Apollo van Ivan Cremer

De klauwen van een faun? Monsieur Teste, Arman
Detail van een Myth (Sphinx)- Marc Quinn

Van de arm van de “De Zaaier” en handloze mouwen van de “Leider” van Atelier van Lieshout, via de Welcoming Arms van Louise Bourgeois in de tuin van het Rijksmuseum, naar de glimmende Man die een vuurtje geeft (Jan Fabre) en een Venus zonder armen (Eja Siepman v d Berg).

De Amsterdam Art Biennale: te zien tot en met 15 september 2019

Plastic beeldhouwer

20190607_132035
Michelangelo in polystyrene op de Minervalaan, achter de Michelangelo in tufsteen in de Michelangelostraat 29

Hoe een bijna 100-jaar oude gevelsteen van tufsteen in Amsterdam-Zuid een jonge – in Nederland wonende – Japanse kunstenaar inspireert tot een Michelangelo-sculptuur van wegwerp-plastic (polystyrene) en harslijm (epoxy).

Behalve schilder was Michelangelo (1475-1564) architect, dichter en één van de belangrijkste beeldhouwers uit de Renaissance. In opdracht van de paus heeft hij tot op zeer hoge leeftijd heéel wat zwaar werk verzet en moest dan – in grote armoede – bedelen om de betaling.
Via een houten trapje kun je op de Minervalaan nu binnenin het hoofd van de grote beeldhouwer stappen.

Dus:
hoe een Italiaanse Renaissance-beeldhouwer inspiratiebron was voor de Nederlandse steenbeeldhouwer Anton Rädecker (1887-1960) die bij veel architectuur van Amsterdam-Zuid betrokken was en op zijn beurt in 2019 weer Sachi Miyachi (1978) inspireert.
(het hoekreliëf van tufsteen is op de hoek van de Michelangelostraat 29 en de Gerrit van de Veenstraat, achter de Minervalaan).

Leestip: een heéeéerlijke roman van Irving Stone: ‘Michelangelo‘: je hoort en ziet en ruikt hem bijna zwetend bikken in het witte Carrara-marmer!
#artzuid

https://www.facebook.com/FaceToFaceOlympischKwartier/

EEN MAN IN JE BADKAMER

Met zijn iconische kubusbank 430 uit 1969 is Nederlands bekendste binnenhuisarchitect, Jan des Bouvrie (77), zonder dat hij het zelf eigenlijk wist, opgenomen in de beeldenroute van Artzuid: zijn bank is onderdeel van het zwartbronzen meubelkunstwerk “11 rue Simon-Crubellier” van Matthew Darbyshire op het Stadionplein.

20190524_231843.jpg
Op de Minervalaan staat uit de privé-kunstcollectie van Jan Des Bouvrie een zwartbronzen beeld van Arman (1995). In beide kunstwerken speelt water een rol. Des Bouvrie opende Art Zuid 2019 door de kranen even open te zetten.

Dat de zwartbronzen bank een kopie van zijn origineel in wit is, vindt hij “prima” zegt hij me. Daar hoefde hij geen toestemming voor te geven aan Darbyshire.
Het is een gebruiksvoorwerp. Er zijn er ruim 55.000 van verkocht. Hij zit ook gewoon lekker, heeft hoge armleuningen. Ze zijn in tal van kleuren verkocht”.

Hij vindt het “eervol,” zegt Des Bouvrie, dat zijn bank nu in brons is vereeuwigd. “Ik sta ermee tussen hele grote namen“. In het meubelkunstwerk op het Stadionplein staat achter zijn bank een kopie van een chaise longue van “Le Corbu”, de beroemde Franse architect Le Corbusier uit begin 20e eeuw en ernaast een boekenkastmeubel van de Memphisgroep uit de jaren 80, in designkringen ook niet één van de minsten.
Van Des Bouvries leermeester op de kunstnijverheidsopleiding, architect/meubelmaker Gerrit Rietveld, die later de Rietveldacademie in Amsterdam-Zuid ontwierp, staat een eenvoudig zwart bed op het Stadionplein. Van Rietveld leerde Des Bouvrie de eenvoud.
Hij ontwerpt in wit of zwart, al zijn het maar zwarte accenten, zegt hij. Kleur haal je in je huis met bloemen en met kunst, vindt hij.
De rest moet rust uitstralen.

KUNSTVERZAMELAAR

Zijn kubusbank was niet de reden waarom hij werd uitgenodigd om ArtZuid 2019 te openen. Hij stond er die avond vooral als fanatieke kunstverzamelaar.
Vier beelden uit zijn privécollectie heeft hij beschikbaar gesteld aan Art Zuid, het zwart-bronzen beeld Monsieur Teste (1995) met waterkranen van Arman (hierboven) en een glimmend bronzen beeld van Jan Fabre: “De man die vuur geeft“. Ook een koffiekan met peer van Klaas Gubbels in Amstelveen en het glad gepolijste witte “Opzittend konijn” van Tom Claassen vlakbij de Zuidas behoren tot de privécollectie van Des Bouvrie. Zelf noemt hij het een haas, merk ik in gesprek met hem.

1050285.jpg
Opzittend konijn, Tom Claasen, 2012, polystyreen, bij Zuid WTC
P1050301
De man die een vuurtje geeft, Jan Fabre, 2006, brons, op de Minervalaan
IMG_0662
Klaas Gubbels op de Bovenkerkerkade in Amstelveen, foto ©AgreyLady

De privécollectie van Des Bouvrie is dermate spraakmakend, dat in 2012 een expositie van zijn verzameling werd gehouden in het Singer Museum in Laren.

Ik heb geleerd om kunst te kopen op het moment dat het net uitkomt, kunst die betaalbaar is“, zei hij tijdens de opening van ArtZuid. Hij benadrukte het belang van kunst voor je huis. “Een huis zonder kunst is geen huis,” vindt hij.

De interieurontwerper begon ooit met kunstverzamelen voor zijn showroom/woonwinkel in Naarden, omdat hij mensen wilde laten zien hoe bij een rustig wit interieur kunst mooi uitkomt en sfeer geeft.

Het was de bedoeling in eerste instantie dat hij die kunst tegelijk verkocht met zijn eigen interieurontwerpen. Mensen raakten ook wel enthousiast, maar op den duur bleef hij zitten met de wat meer gewaagdere, experimentele kunst die niet meteen 1,2,3 “boven de bank” past. En zo begon zijn kunstverzameling.

P1040959
Monsieur Teste van Arman, 1995, op de Minervalaan

WATER

Armans zwartbronzen beeld, dat tijdens de openingsavond voor het gemak “de waterman” werd genoemd – waarbij even de kranen met water werden aangesloten door Des Bouvrie en directeur Cintha van Heeswijck  – staat bij Des Bouvrie thuis in de badkamer, vertelt hij mij. Ik ben stomverbaasd.
En heeft u die kranen dan ook aanstaan?”.
“Nee, zelden”. Zijn stem is zacht en kwetsbaar.
Frappant vind ik, dat in beide kunstwerken – de zwartbronzen kubusbank van Des Bouvrie in het designkunstwerk op het Stadionplein en het zwartbronzen Arman-beeld op de Minervalaan – het element water een rol speelt. En dat beiden zwartbrons zijn.

ARMAN

Werk van Arman (1928-2005) bestaat doorgaans uit opeenhopingen van voorwerpen uit de consumptiemaatschappij, vanuit de gedachte dat de alledaagse werkelijkheid ook kunst kan zijn. Behalve een overdosis douchekranen, zoals nu op de Minervalaan, kunnen het grote verzamelingen brillen, auto’s, cello’s, kunstgebitten of strijkijzers zijn, al of niet aan elkaar gelast of in beton gegoten. Of bergen afval in doorzichtig perspex.

20190525_160742.jpg
De zgn. ”accumulaties” van Arman

P1050110Zijn sculpturen “Apollo’s offering” (die hij aan Amsterdam schonk, en ook op de Minervalaan staat) en “Monsieur Teste” met douchekranen zijn beiden gefragmenteerde beelden: geen mannen uit één stuk, omdat Arman ook graag objecten ontleedde of vernietigde.

In een interview in 2006 met de Volkskrant zei Des Bouvrie over de verschillende Arman-kunstwerken bij hem thuis:

Of ik Arman’s werk ‘mooi’ vind? Ik ben helemaal niet bezig met mooi. Arman is vernieuwend, hij is spannend. Hij heeft de kunst veranderd. Net als Picasso de schilderkunst heeft veranderd, the Beatles de muziek, Le Corbusier de architectuur, of Philippe Starck de styling. De verandering die zij teweegbrengen, vind ik belangrijker dan wát ze doen. Het moet niet mooi zijn, het moet uitstraling hebben.””(Volkskrant, sept 2006)

FAUN

Of het beeld dat Des Bouvrie in zijn badkamer heeft staan nu een waterman is, of een Grieks mythologische Hermes of Hercules of Monsieur Teste heet – ik lees diverse omschrijvingen – kan me niet zoveel schelen.
Het beeld had mijn bijzondere aandacht getrokken, omdat ik er een faun in zag. Een weerspiegeling van de tufstenen reliëfs eromheen van beeldhouwer Anton Rådecker (1887-1960) in de architectuur met gevelstenen van de Minervalaan. Dezelfde Rådecker die de monumentale “Polospeler‘ en ‘Ruiter te paard‘ in 1930 op het Van Tuyl van Serooskerkenplein in de Stadionbuurt maakte.

“Ha, meneer Pan!” dacht ik, toen ik het beeld zag staan. Het kraantje uit zijn billen lijkt verdacht veel op het staartje van mythologische faunen, onderaan hun rug. De gebogen kranen op het hoofd lijken op hoorns en manen, de armen met douchekranen op klauwen. En beiden hebben ook een sik. Desnoods wil ik in de koperen kraan bij zijn mond nog wel een fluit zien, al ziet een panfluit er anders uit.

Ik sluit absoluut niet uit dat Arman geïnspireerd kan zijn door de antieke Dancing Faun, een klein beeldje uit een huis in Pompeï, dat als souvenir en interieurkunst naast je bank thuis kan staan (zie middenin collagefoto). Arman’s vader was bovendien antiquair, misschien verkocht hij het wel. Het lijkt wel of Arman dit beeldje heeft willen ontleden.

Overigens komt “Monsieur Teste” als persoon voor in een roman van Paul Valéry (1871 – 1945) over een man die erg ‘in zijn hoofd zit’, bezig is met zijn eigen Bewustzijn (het oud-Franse woord “Test” =hoofd). Maar daarin zie ik zelf, al bladerend, niet meteen 1,2,3 een aanknopingspunt voor onze kranenman.

“Het Ik zou nooit ergens aan kunnen beginnen als het niet meende dat het Alles was”. (p.78)

Dat is wel wat anders dan een man in je badkamer thuis.

Of Jan Des Bouvrie betaald wordt voor zijn kunstwerken op Art Zuid weet ik niet. Desgevraagd zegt Art Zuid hierover: “Wat de basis is van een bruikleen verschilt van geval tot geval. Daar doen we verder geen uitspraken over”.

De kunstverzamelaar was op het moment dat ik hem sprak nog niet naar zijn eigen kubusbank op het Stadionplein wezen kijken. Hij kende het meubelkunstwerk van Darbyshire alleen van foto’s. En hoopte dat de Britse kunstenaar niet te “hatelijk” met het onderwerp ‘design’ omgaat.

  1. meer Informatie over het meubelkunstwerk ’11 rue Simon-Crubellier’, zie mijn blog: Hygiea, Hercules, Perec: https://marionalgra.wordpress.com/2018/11/08/hygiea-hercules-perec/
  2. Bronnen:
    – Persoonlijk interview met Des Bouvrie tijdens de opening ART ZUID 2019
    – NPO-documentaire over Des Bouvrie en diverse tv-interviews.
    – Meneer Teste, Paul Valéry, 1946
  3. Antieke faun: http://toussaintbonnet.nl/nl/portfolio_page/dansende-faun/

Vijf invalshoeken

Ziet u wat het is?” vraagt een Hindoestaanse moeder me op het Stadionplein. Ze staat met haar zoontje van een jaar of zes bij het rode beeld dat Art Zuid op het plein  geplaatst heeft, de beroemde Amsterdam Sculptuur Biënnale, die vrijdag 17 mei officieel opent.
Het jongetje draait en draait vrolijk om het beeld heen.
uuhh….,ik zie één of ander poppetje, geloof ik“, antwoord ik aarzelend.
Jaaahhh“, roept de moeder, wijzend op haar kind: “dat ziet hij óók, zegt hij. Maar ik zie het niet!”
Dat is nou het leuke van kunst!”, zeg ik tegen het jongetje. “Niets is fout of goed. Het hoeft niet meteen duidelijk te zijn. Je kunt er van alle kanten naar kijken en er iets anders in zien, je mag erin zien, wat jij denkt!”.
Het jongetje straalt.

De Stadionbuurt is voor het eerst opgenomen in de tweejaarlijkse beeldenroute van Art Zuid, waarvan de kern rond de Apollolaan-en Minervalaan ligt. Het is een 2,5 km lange wandelroute langs zo’n 80 beeldhouwwerken van 50 gerenommeerde internationale kunstenaars.
De Stadionbuurt doet mee met meerdere sculpturen. Inclusief “onze” eigen “11 rue Simon-Crubellier“, het zwarte meubelkunstwerk van de Brit Matthew Darbyshire op het Stadionplein.

De rode sculptuur is van Hans van de Bovenkamp (1938) en heet “Red, Circles & Waves“.

“What’s in a name?” denk ik stilletjes, n.a.v. mijn laatste blog van 1 mei.
Voor Face to Face Olympisch Kwartier wandel ik deze zomer met mijn fototoestel langs diverse beelden.

What’s in a name

Het is bizar. Wat zegt de titel van een kunstwerk nou eigenlijk? De naam van een straat, een plein? Wat is de functie ervan? Ik vroeg me dat af, toen in 2018 eerst de naam Stadionplein na 104 jaar dreigde te verdwijnen en ik daarna – door de Franse titel van het kunstwerk van Matthew Darbyshire op het Stadionplein – de joodse Franse schrijver Georges Perec ontdekte en merkte dat zijn hele schrijversoeuvre gaat over het thema “verdwijnen”. Wat zegt dat over het kunstwerk 11 rue Simon-Crubellier van Darbyshire?

De middelste ring van de 5 Olympische ringen op het Olympische Stadion, recht tegenover het zwarte kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire op het Stadionplein.

Namen van straten en pleinen ordenen, geven structuur en richting aan een stad. Straten in een buurt hebben dezelfde type namen. Ook de naam van een kunstwerk geeft richting aan het denken over een kunstwerk. Denk ik.

TITELFUNCTIE

In het Singer Museum Laren zag ik laatst nog heel wat naambordjes “Zonder Titel” naast kunstwerken, zoals bij een tafel van Tom Claassen. Vermeld werd dat het uit natuurrubber, schuim en 7 vliegen bestond. Tussen haakjes was toegevoegd dat het om een tafel ging ;-).

Als er zo’n bordje zou komen (“Untitled”, materiaal: zwart gepatineerd brons en beton) bij het design-appartement van Matthew Darbyshire op het Stadionplein zou je naar een berg meubels kijken, die samen een moderne sculptuur vormen: een driekamer-appartement. Maar mét de door Darbyshire gekozen Franse titel “11 rue Simon-Crubellier” wordt het m.i. een ander verhaal. De gemeente Amsterdam plaatst binnenkort een plaquette bij het kunstwerk. Ik ben benieuwd.

P1040293
De Britse kunstenaar Matthew Darbyshire in zijn kunstwerk, november 2018

In kunsttijdschrift Mister Motley memoreren ze wat kunstenaar Marcel Duchamp (1887 -1968) ooit zei over titels van kunstwerken.

‘De titel van een schilderij’, zei Marcel Duchamp “is één van de kleuren op het palet van de kunstenaar”. Als ware het een onzichtbare tint die ons denken kleurt.

Duchamp gaf hiermee aan dat titels méér zijn dan alleen objectnaam. Immers, titels prikkelen de fantasie, verklaren, geven houvast en zaaien in een enkel geval zelfs verwarring.” (uit “Het benoemen van de dingen”, Saskia van Kampen. Mister Motley

11 FEBRUARI 1943
De Franse titel ’11 rue Simon-Crubellier’ van het Stadionplein-kunstwerk kan verwarring zaaien, ja. Maar biedt mij tegelijkertijd de vrijheid om het te duiden binnen de context van de Stadionbuurt.

3110ed85ce0b7c7b688b73824cd8ef48 - kopie
Franse cover. Vertaald heet het boek: Het leven een gebruiksaanwijzing (1978)

Het woonadres “11 rue Simon-Crubellier” komt uit het literaire oeuvre van de Fransman Georges Perec (1936-1982), geboren uit Pools-Joodse ouders. Op een studieavond over Perec ontdekte ik dat in heel zijn oeuvre de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is.

Als Perec het getal 11 noemt, raak je als Perec-kenner altijd alert”, hoorde ik van mw. dr. Manet van Montfrans, in Nederland gepromoveerd op Perec.

De 11 verwijst
naar 11 februari 1943, de dag waarop tijdens een razzia in Parijs zijn moeder werd opgepakt, haar vader en haar zus. Van alle drie is nooit meer iets vernomen. Ze zijn spoorloos verdwenen.
Perec weet alleen dat zijn moeder gedeporteerd is naar Auschwitz.

Zijn leven lang houdt hij haar “Acte de Disparition” – een staatsdocument over haar vermissing – bij zich.
Perec houdt van cryptisch schrijven, zaken verstoppen, zoals in zijn e-loze boek uit 1969, “La Disparition (2 + 11 letters, 11 februari) waarin ook de één na de andere persoon verdwijnt, terwijl die mensen onderling met elkaar verbonden blijken door een kringvormig merkteken op de onderarm dat de letter e blijkt te zijn. De associatie met een kampnummer dringt zich op. Het e-loze boek is meer dan een taalspel, er is constant sprake van een gemis. In het Nederlands heet het: ’t Manco.

Zijn vader sneuvelde als soldaat in 1940, zijn andere opa werd ook gedeporteerd. Zijn oma ontsnapte omdat ze tijdens de razzia niet thuis was, en voegde zich bij de 8-jarige Perec, die – met zijn verfranste Poolse naam Peretz – in 1942 in een Frans bergdorp was ondergebracht, waar zij vanwege haar Poolse jiddisch voor doofstom moest doorgaan.

Die thema’s – vermissing, doofstomheid, kidnapping, verdwijnen, identiteit- en naamswisseling- verstopt Perec in al zijn boeken. Ik heb er nu 4 gelezen. In Perec’s debuutroman Les Choses/Things (1965) – dat de Engelse kunstenaar Matthew Darbyshire, vertelt hij mij, vooral beïnvloed heeft – gaat het om een identiteit die niet moet zoekraken, als je je omringt met luxe en designvoorwerpen.
Dat spreekt Darbyshire vooral aan.

MAUSOLEUM

De vraag is of hij zich gerealiseerd heeft – als je dan een titel naar Perec vernoemt en Georges Perec daarmee ” naar Amsterdam haalt” – dat je met Perec automatisch eigenlijk de oorlog meekrijgt. De meeste Perec-boeken zitten vol biografische hints, als je tenminste weet waarnaar je zoeken moet. Anders lees je daar overheen. Het is een mysterieuze schrijver.
Misschien is dat geheimzinnige niet vreemd voor iemand, die als kind met zijn verfranste naam en ‘onderduikachtergrond’ in een bergdorp, met zijn Poolse oma niet herkend mocht worden door Duitsers. Kortom, Perec houdt van: zich verstoppen.

Ook de naam van zijn Poolse moeder Cyrla Szulewicz – verfranst tot Cécile of Caecilia (patrones van de muziek) – gebruikt hij op tal van manieren in diverse boeken. Er is altijd wel een operazangeres, ook op de 11 rue Simon-Crubellier.

Het hele flatgebouw op dit adres propt hij boordevol bewoners en kan gezien worden als een eerbetoon aan allen die verdwenen zijn.

hij dacht aan de anderen, aan al diegenen die al vertrokken waren (…)”
“Over de trappen glijden de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”(p. 72)

Op de 11 rue Simon-Crubellier laat Perec vervolgens een heel ritueel vernietigingsproces plaatsvinden van puzzelstukjes.

zo zou er geen enkel spoor overblijven (-)” p.130
(Uit: Het leven een gebruiksaanwijzing)

Go_ko_animación

Ook het getal ’43 verstopt hij, vertrouwd als hij is met Joodse getallensymboliek en Kabbala.

Hij laat in het trappenhuis 4 zwarte en 3 witte marmeren schijven “vinden”, die zo zijn neergelegd dat ze samen in het Japanse go-spel het woord Eeuwigheid vormen (p.477).
Hoe cryptisch wil je het hebben voor een jongen, wiens familie is uitgemoord. De oudste bewoner van het pand, een schilder die het flatgebouw wil schilderen, mijmert:

“alleen al de voorstelling die hij zich maakte van dat opengebroken pand dat de scheuren van zijn verleden (-) toonde (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)” p.138

Voilà, 11 rue Simon-Crubellier als mausoleum. Als praalgraf dus.

STADIONBUURT

Met dit gegeven krijgt het Stadionpleinkunstwerk met de Franse titel voor mij ineens een heel andere lading.
Ik denk aan de verdwenen joodse schoolkinderen uit de Stadionbuurt, waarover schrijver Heere Heeresma (1932-2011) – buurtbewoner tijdens de oorlog – schreef in zijn boeken “Een jongen uit Plan Zuid” (2005).
Ik denk aan de verlaten huizen, die door andere bewoners in beslag genomen werden. Heeresma beschrijft dat heel treffend, als hij op de Stadionweg één van zijn joodse schoolvriendjes Mosje Ansinger weer wil bezoeken, maar plots ziet dat het naambordje is veranderd en er wordt opengedaan door onbekende mensen.

“Ik kom voor Mosje, mijn vriendje. Mosje Ansinger”.
De vrouw schudt haar hoofd. “Die woont hier niet”.
Maar langs haar heen zie ik dat mooie met parelmoer ingelegde tafeltje met daarop die lamp met een schelpachtige kap en daarnaast een echt troubadourzeteltje, dat Mosje en ik naar het balkon tilden zodat we bij de hoog geplaatste vliegenkast konden om er een appel of een banaan uit te jatten. (-).
“Wat is daar” hoor ik een mannenstem achter in het huis roepen.
De vrouw roept terug terwijl ze me aan blijft staren. “Een jongetje dat naar de familie Ansinger vraagt!”.
“Laat-ie opdonderen!”.
(-) Het portier zoeft dicht…”
(Een jongen uit plan Zuid, deel 1, pag.73)

Deportatie-Amsterdam-20-6-1043-Beeldbank-WO2-NIOD-96771
Olympiaplein, hoek Marathonweg: deportatie van Joden, 20 juni 1943, foto Beeldbank

Van diverse adressen in de Stadionbuurt zijn ook na de oorlog bij de Duitse overheid zogenaamde Möbelclaims ingediend vanwege leeggeroofde inboedels.

Ons eigen Olympiaplein was op 20 juni 1943 een belangrijke verzamelplaats tijdens meerdere razzia’s die dag in Amsterdam.
Het is een pijnlijke oorlogsgeschiedenis die de straten kleurt van een buurt met zowel heel veel NSB-adressen (zoals 2 jaar terug op een map van bet Stadsarchief duidelijk werd gemaakt NSB in Zuid) als veel Joodse bewoners, voornamelijk gevluchte joodse immigranten uit Duitsland en Oost-Europa (net als de Poolse families Szulewicz en Peretz in Parijs)

stippenkaart - 2

20190430_190746
1548 joden in de Stadionbuurt, detail van de Amsterdamse Stippenkaart uit 1941. Elke stip staat voor 10 joodse bewoners, 1100 werden vermoord, zo’n 7 procent van de Stadionbuurtbevolking

PLEK VOOR 1100 STOLPERSTEINE

Op een bevolking van 16.592 mensen in de Stadionbuurt was in 1941 een kleine 10 procent Joods. Van de 1548 Joden in de Stadionbuurt werden er, naar mijn berekening, zo’n 1100 vermoord, d.w.z. 71 procent.
Ik heb voor deze gegevens Joodsmonument.nl, het Stadsarchief en het NIOD geraadpleegd. De beruchte Joodse stippenkaart, die de Duitsers in 1941 door ambtenaren lieten maken, is ook een belangrijke bron. Elke stip op de kaart staat voor 10 joden. Je ziet dan dat er in de Beethoven- en Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid meer joden woonden dan in de Stadionbuurt; en in Oost en rond het Waterlooplein veel meer. Voor de Stadionbuurt begrens ik me tot en met het Olympiaplein.

sternfeld_edith_with_brother_martin_and_his_wife_molly_jpg()(F72F55D018125D640EBDF423A45BAD09)
Edith en haar broer Martin Sternfeld, met zijn vrouw Molly op hun balkon, vermoedelijk in de Stadionstraat 23 III. Molly overleefde.

In de Achillesstraat alleen al tel ik 92 vermoorde joodse buurtbewoners, in de Herculesstraat 59, op de Stadionkade 89, en zo kan ik doorgaan. Meerdere gezinnen plegen zelfmoord.

Hoe moet ik me een lint van 1100 messing Stolpersteine, struikelstenen, door de Stadionbuurt voorstellen, als iemand daar geld voor over heeft? Een project van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig.

Ik zie dat er in het huidige Olympisch Kwartier, dat toen maar uit één woonblok bestond in de Stadionstraat, 9 joden woonden. O.a. een gevluchte jurist Martin Sternfeld en zijn zus Edith, uit Oost-Pruisen: Martin werd al op 16 september 1941 vermoord in Mauthausen. Edith in Auschwitz. Ik vind een balkonfoto van hen voor een houten verandakast, zoals de oude huizen hier hebben.

HARRY ELTE

Ook de feitelijke naamgever van de Stadionbuurt, de joodse architect Harry Elte (1880- 1944 Theresienstadt), werd als bewoner van de Stadionweg, in 1942 gedeporteerd. Hij was het die met zijn sportstadion in 1912 – ver voor de Olympische Spelen van 1928 – aan de namen Stadionweg en Stadionplein bijdroeg.

Dat gegeven brachten buurtbewoners in 2018 in herinnering toen de naam Stadionplein bijna verdween. Moest eerst Eltes stadion verdwijnen voor nieuwe huizenbouw in de jaren ’30, en moest hijzelf in 1942 verdwijnen, zou dan nu ook nog zijn Stadionplein moeten verdwijnen?

De gemeente was niet ontvankelijk voor dit argument, maar zegde wel schriftelijk toe aan de actievoerders om Harry Elte in de stad te gaan vernoemen. Hoezo architect Jan Wils van het Olympisch Stadion wel, immers, en Harry Elte niet?

album_large_7971
Het stadion van Elte 1912-1929, naamgever van Stadionweg en Stadionplein, aan rand van Amsterdam met weilanden.

HOMMAGE AAN PEREC

Matthew Darbyshire vindt het, desgevraagd, prima als ik zijn 3-kamerappartement ’11 rue Simon-Crubellier’ een duiding geef, omdat hij zich realiseert dat dit inherent is aan kunst in de Openbare Ruimte.
Maar hij relativeert al snel de functie die een titel van een kunstwerk volgens hem heeft. De titel maakt volgens hem maar 1 procent van een kunstwerk uit. Eén procent.
“I’ve highlighted before that the appropriation of Perec’s fictive address informs what I believe to be approx one percent of the works content.”


Hij vond het te midden van de Brexit-hectiek wel aardig, zegt hij, om met een Franse titel een statement te maken.
Hij ziet zijn design-meubels ook zeker niet als letterlijke uitbeelding van het Franse flatgebouw, dat Perec beschrijft, maar de Franse titel ziet hij wel als “eerbetoon aan Perec”.
Hij bewondert de Franse schrijver; zegt gefascineerd te zijn door de complexiteit van Perec’s boeken.
“I hope at the very least it is understood as a tribute to the extraordinary intellectual voyeur, philosopher, poet, prankster, artist, filmmaker…just incredible thinker who is certainly worthy of this oblique memorial!”

Een hulde aan Perec dus. Een soort van gedenkteken. Maar teveel accent op Perec is niet zijn bedoeling.

Wat mij betreft is dan de cirkel rond. Eerst richt Perec een heel flatgebouw op aan een fictieve 11 rue Simon-Crubellier, ter nagedachtenis van zijn verdwenen familie, vervolgens ziet Darbyshire zijn driekamer-appartement 11 rue Simon-Crubellier als eerbetoon aan Perec.
Ik vraag hem wat hij ervan vindt als ik de (joodse verborgen) achtergrond van het oeuvre van Perec verbind aan de geschiedenis van de Stadionbuurt, en daarmee aan “11 rue Simon-Crubellier” op het Stadionplein. Darbyshire:
I’m delighted that these histories can be crossed and interlaced. It certainly was not my intention but hopefully you can see how I have tried desperately to leaves things open, malleable and democratic as possible”.

Alle interpretaties zijn dus mogelijk.

CITIUS, ALTIUS, FORTIUS


Tot slot moet ik dan nog een ander bizar detail vermelden. Precies tegenover het zwarte kunstwerk op het Stadionplein staat de poort van het Olympisch Stadion met de 5 Olympische ringen en de leus: Citius, Altius Fortius: sneller, hoger, sterker. Opvallend genoeg komt deze Olympische leus voor in Perec’s wonderlijke semi-autobiografische roman “W, of de jeugdherinnering” (1975) over een zoekgeraakt doofstom kind.
DSC03812
Olympische leus boven toegangspoort Olympisch Stadion: sneller, hoger, sterker

Ik zei al: in meerdere romans van Perec raken mensen of dingen spoorloos. Of wisselt hij van identiteit. In de zoektocht naar dat kind belandt hij op een eiland W. waar een extreem-hiërarchische, maniakale, zelfs sadistische Olympische sportcultuur heerst vol regels en dwang. Met Duits geschreeuw “Schnell, schnell” worden verliezers in de sport afgestraft.

De atleten hebben grijsgestreepte trainingspakken aan met de letter W op hun rug of van witte stof genaaide driehoeken op hun borst. De parallel met jodensterren en concentratiekampen is evident. Een Roemeense bookcover laat dat ondubbelzinnig zien.

1257482
Roemeense bookcover van boek over zijn jeugd

Perec gebruikt de Olympische sportbeoefening dus als metafoor voor de kadaverdiscipline die er heerst in totalitaire regimes als het nazisme.
Van het doofstomme kind wordt niets meer vernomen…

De hoofdpersoon in het boek over de 11 Rue Simon-Crubellier sterft met in zijn hand een puzzelstukje in de vorm van de letter W. Het puzzelstukje past niet in de puzzel die op tafel ligt.

En zo zitten we dan in Amsterdam – recht tegenover het Olympische Stadion met de leus Citius, Altius, Fortius – met het wonderlijke verschijnsel dat er in deze buurt allerlei Möbelclaims tegen de Duitse staat zijn ingediend en er nu een meubelkunstwerk “11 rue Simon-Crubellier” is, welke naam bij Perec indirect verwijst naar een razzia op 11 februari 1943.

U kunt natuurlijk zeggen: what the hell. What’s in a Name?

Maar m.i. lijkt het erop dat een kunstwerk met deze titel exact past in de Stadionbuurt. Het is precies het juiste puzzelstukje.
Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten’ (citaat uit de Thora)

P1040821
Stolperstein, Argonautenstraat 12 II
P1040823
Stolpersteine, Herculesstraat 25A I
P1040824
Stolpersteine, Parnassusweg 10 II

© Overname van gedachtengoed uit dit blog s.v.p. met bronvermelding

Dit is blog 6 in een serie over “11 rue Simon-Crubellier”

Anybody home?

Het is mutsenweer. Half november, er staat een gure wind, handen houden open kragen bijéen. Bakfietsvaders en moeders achter kinderwagens sjezen in grote vaart voorbij. Kranten-bezorgers met overvolle fietstassen, haastige postbodes, zelfs scooters zigzaggen dwars door voetgangersgebied heen. In de week dat de 11 rue Simon-Crubellier als kunstzinnig woonadres 11 dagen is opgeleverd in Amsterdam, observeer ik – verspreid over de week – 11 uur lang haar gasten. En het Stadionplein. 

P1040306A
Als tegen 17 uur de straatlantaarns aanflitsen, verdwijnt de woonkamer in de donkerte. De bewoners van 11 rue Simon-Crubellier zijn vertrokken. Alleen het water is niet afgesloten.

MAANDAG 15.30 – 17.30

Er woont niemand op de 11 rue Simon-Crubellier. Maar de vloer en stoelen zijn nat, alsof de werkster net geweest is. De wind wappert de waterfontein boven de wc-pot wild door het huis .

Rond 16 uur lijkt het alsof er een haardvuurtje wordt aangestoken. In de beregende zwarte linnenkast weerspiegelt een oranje gloed van een zwaailicht van een vrachtauto. Het lijkt 20 minutenlang een wakkerend vuurtje en is het enige levende element in het appartement – naast de waterstralen uit de radiator, de gootsteen en het keukenblok.P1040291
Om 16.07 uur cirkelt een man via het gras door het huis heen, zet zijn capuchon op en verlaat over de deurmat het zwarte ‘pand’. 
Om 16.28 uur vegen twee meiden hun voeten op die deurmat, voelen aan de keukenapparatuur, de stoel in de huiskamer. In de slaapkamer pakt één haar telefoon en begint zichzelf te filmen. Het zijn de 2e en 3e gast binnen een uur.

Om 17.10 bezoekt een vader met peuter – weer via de deurmat – het appartement. De moeder blijft buiten, haar hand op een kinderwagen. Zoekerig lopen de twee rond, dralen bij het keukenblok; dan trekt de vader het kind mee naar de huiskamer en legt zijn hand precies op de plek van de radiator, waar water uitspuit, waardoor de waterstraal oncontroleerbaar wordt.
De vader springt weg. Ik kan het niet horen, maar denk dat de peuter schaterlacht omdat de vader zichzelf steeds herhaalt: zijn hand eventjes op de radiator; en wegspringen. Na een minuut of 5 verlaten ze via de denkbeeldige slaapkamerdeur het zwarte huis.P1040302AOp dit tijdstip in november duurt het niet lang voordat het zwarte kunstwerk verdwijnt in de avondschemer. Als de straatlantaarns aanflitsen, is er niets dat het appartement  verlicht. Er zijn geen bewoners op de 11 rue Simon-Crubellier, hun lampen in de huiskamer en op het bureau doen het niet.
Rode achterlichtjes van auto’s rond het plein schijnen soms even door de vakken van het boekenmeubel heen.
De feestverlichting in de bomen bij het hotel-restaurant op het plein trekt nu meer aandacht.

DINSDAG 10.30 – 12.15

Vaste bezoekers blijken de meeuwen en de kraaien, de kauwen en de duiven op het plein. Vijftien duifjes houden op 5 hoog, onder de dakgoot, het plein in de gaten of zoeken beschutting in de wind, wie zal het zeggen. P1040374

P1040383P1040376Net als maandag, zie ik kijkers.
Kijkers zijn niet meteen ook bezoekers die naar binnengaan. Kijkers zijn overstekende wandelaars met plastic of katoenen boodschappentasjes op weg naar de supermarkt, die misschien even hun tred vertragen en opzij kijken. Een mevrouw achter een rollator met een slepend been; druk discussiërende scholieren met rugzakjes, studenten op gympen, meisjes met wilde wapperende haren in de wind.giphy-3.gif
Als ze stilstaan, staan de meesten stil voor het denkbeeldige keukenraam, omdat het direct aan de straatkant grenst. Er wordt gewezen, er wordt overlegd.

Een fietser in het voetgangersgebied houdt stil bij de logeerkamer, voet aan de grond, stapt niet af maar kijkt, wil doorfietsen, kijkt nog es om en rijdt weer terug.

Ik denk aan het gemopper in de buurt over het zwarte interieur. Maar eigenlijk is iedereen en àlles zo’n beetje donkergrijs en zwart in november om me heen in dit land. Niet alleen de wolken, maar ook de jassen van de mensen, de fietsen, fietskratten, de fietstassen.

Ik ben blij met een voorbijrennende sporter in knalgroen lichtgevend sportpak. Een vrouw met rode baret. Een KLM-stewardess in lichtblauw met rolkoffer. Een wit poedelhondje met rode halsband dat zijn bazinnetje het gras optrekt.P1040327.JPGOok in de moderne brasserie om mij heen is de kleur zwart “bon ton“, afgewisseld met wit marmer, koper en houttinten. De plantenbakken buiten zijn zwart, de boekenkasten binnen, de stoelen, het theeblad. Ook de soepkom is zwart. “Strive to be happy” zegt de zwarte huls van het servet.

Hier netwerken vanaf 8 uur s’ochtends vooral dertigers. Ik hoor marketinggesprekken, Engels, Russisch.  Achter zwarte laptops met ‘wit bedraadde oortjes’ in “delen ze schermen” met onzichtbare klanten aan de andere kant van de lijn.

P1040358
Bezemvegers van de gemeente praten samen over het kunstwerk

Vanuit de verte – vanaf mijn horecastoel – lijkt het misschien even, zoals een kritische lezer van mijn blog laatst schreef als commentaar, of iemand de grofvuildienst heeft gebeld en zijn meubilair op straat heeft gezet. 
Ahhh neee toch...!”, grijnst een Antilliaanse bewoonster van het plein, die naast me zit, iemand die – voor 1.345 euro huur per maand – van 2-hoog uitkijkt over het kunstwerk. Ze heeft een piepklein zwartkrullerig mannetje bij zich, dat ik even warm op mijn schoot mag houden, als zij zijn melkflesje prepareert.
Nee, geen oud vuil, maar ik ben er nog niet goed uit, wat ik ermee aan moet, wat het is!“. 
Ik leg uit wat het is.
Een betonnen 3-kamerappartement van 65 m², naar voorbeeld van de nieuwbouw op het plein, met meubels van 20e eeuwse designontwerpers in zwart brons, die door 45 buurtbewoners zijn uitgekozen uit een voorselectie van de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire.

WOENSDAG 9.30 – 12.30

Op de 11e dag na de House-warming-party van 11 rue Simon-Crubellier, om 11.05 uur, ruimt een voorbijgangster het kunstwerk even op. Ze gooit papiertjes en een kartonnen bekertje in de prullenbak.shutterstock_70714939-1080x675[33696]Mijn gedachten dwalen soms af naar het Franse boek van Georges Perec (dat ten grondslag ligt aan het kunstwerk) en naar de bewoners van die Parijse 11 rue Simon-Crubellier, die met hun vernietigingsproces van puzzelstukjes bezig waren, zoals ik in een eerder blog beschreef.

Ik begin me te realiseren dat mensen misschien niet làng binnenin het appartement op bezoek komen, maar dat als het een gewoon standbeeld was geweest – noem maar wat: een paard met een vent er op, voor mijn part een Griekse held  – dat iedereen er dan gewoon langsgelopen was. Nu zie ik mensen stilstaan, nadenken, een hand aan hun kin, de één blijft aan de stoeprand staan, de ander loopt naar binnen.

Misschien dat het gras om het huis als een soort tuin functioneert, een barrière om binnen te stappen. Als het kunstwerk rechtstreeks op de keien stond, kwam er misschien eerder binnenin bezoek.
Misschien.
Maar kijkers en omkijkers zijn er zo wie zo. Bijna iedereen die de 11 rue Simon-Crubellier bezoekt, kijkt als ze eenmaal buiten zijn, ook weer achterom. Alsof ze denken: “huh, wat was dat nou, wat ik net gezien heb? Waar ben ik nou net geweest….?“. P1040355

DONDERDAG 12.15 – 14.30

Op donderdag rond het middaguur is het spitsuur. In totaal tel ik in 2 uur tijd 31 bezoekers, voornamelijk scholieren. Een verliefd stelletje neemt even plaats. Een man wast er zijn handen. Een fietser loopt dwars door het appartement heen. Even later dansen scholieren op het bureau, terwijl een derde met zijn telefoon voor muziek zorgt.IMG-20181122-WA0000[53580]

Ook de Waternet-inspectie komt donderdag even langs.

ZATERDAG 9 – 11 uur

P1040371Op zaterdagochtend als er nog ochtenddamp hangt en de marktkramen worden opgebouwd, zijn er al vroeg opa’s met kleine jongetjes in het kunstwerk. Toeristen met bepluimde mutsen en een plattegrond in hun handschoenen, nemen foto’s. In twee uur tijd tel ik 12 bezoekers in het huis.

Langslopende kijkers zijn er natuurlijk ook: met stokbroden onder hun arm of bossen bloemen in bruin papier van de markt. De kaasboer, groenteman, notenkraam en bloemenman staan vlak voor het kunstwerk. Ik zie vrouwen met korte jacks en dikke billen eronder. Een joggende vader achter een kinderwagen; het kind klotst een beetje op en neer. P1040388.JPGOm 11.17 uur brengen twee meiden 37 seconden in het appartement door, eentje gaat even op het bureau liggen. Daarna zijn ze 1 minuut en 24 seconden bezig met het nemen van selfies.
 
Als ik even google naar hoelang mensen voor een schilderij in een museum stilstaan, heeft Trouw het over gemiddeld 9 seconden per schilderij, maar de NRC schrijft over 28 seconden, waarvan tegenwoordig veel tijd opgaat aan het maken van selfies bij een kunstwerk.

ZONDAG 15 – 16.30

Op zondagmiddag is het stiller. Een man met zijn handen op zijn rug staat om 15 uur aan de rand van het gras bij de deurmat stil, in gedachten, alsof het een monument is. 
Hey, een huiskamertje!” roept een voorbijflitsende fietster enthousiast.
Maar je mag er niet op zitten“, roept haar compagnon.
Jawel,” roep ik terug: “dat mag!”P1040391.JPG
Er komt toch nog zondagmiddagbezoek in het huis. Spelende kids. En gasten uit het hotelrestaurant met fototoestellen.

In 11 uur tijd, verspreid over deze week, heeft 11 rue Simon-Crubellier 77 bezoekers gehad, ontelbare gluurders door denkbeeldige ramen en diverse fotografeerders. 

DE ZEVENTIENDE DAG

IMG_20181127_133351246[53613]Op de 17e dag na de opening zijn de denkbeeldige ramen van het huis ineens met karton dichtgemaakt.
Een saillant detail, als ik bedenk dat het de kunstenaar Matthew Darbyshire – als Brit – juist was opgevallen dat Nederlanders s’avonds hun gordijnen openlaten en al het interieur voor iedereen zichtbaar is. Iets wat hem inspireerde tot dit kunstwerk.

Onze meubels als openbaar kunstbezit dus.

Even denk ik aan een buurtprotest tegen het zwarte kunstwerk, maar later blijkt het om balorigheid te gaan. 
Scholieren zijn aan de haal gegaan met grote kartonnen meubeldozen van een eigenaar midden op het plein – de adressticker zit er nog op –  die zijn rotzooi onversnipperd en veel te vroeg als grof vuil heeft buitengezet.

De scholieren wilden het huis wat knusser inrichten met kartonnen muren erom heen, zo gaat het verhaal, zodat ze er wat beschutter konden zitten. IMG_20181127_134157480_BURST000_COVER_TOPOok misschien omdat ze dan minder snel nat werden. De waterfontein uit de radiator spettert de huiskamermeubels nat. De scholieren hadden met een steen de radiatorwaterknop geblokkeerd.
Ik snap ze ergens wel. Ik heb deze weken me ook wel afgevraagd of het compromis van kunstwerk-met-fontein wel zo’n geslaagd idee is geweest. Maar ook heb ik gezien, dat juist het speelse water in de wind de opa’s en oma’s met kleinkinderen naar het kunstwerk trekt.
Zonder water was er minder bezoek geweest. Zonder water was het een zwarte lege huiskamer geweest. Waaruit de bewoners zijn vertrokken.

(wordt vervolgd)

  • Met dank aan: Irka voor een foto, Jan en Blanche voor uitleg over het karton en Unice voor haar commentaar.

Dit was deel 5 in een serie blogs over: 11 Rue Simon-Crubellier

Het leven: een puzzel

frustrated-little-man-missing-puzzle-piece[33694]

Er wordt nogal gepuzzeld aan de 11 Rue Simon-Crubellier te Parijs, het woonadres dat de schrijver Georges Perec verzon, waaraan het kunstwerk van Matthew Darbyshire op het Stadionplein haar titel ontleent. Het kunstwerk wordt zaterdag 10 november onthuld.

Nou heb ik niks met legpuzzels. Maar vorige zomer, juist toen ik me voor de eerste keer door dat dikke, niet-zo-toegankelijke boek “Het leven een gebruiksaanwijziging” van Perec heenworstelde, kwam het er dan toch van.
Mijn hoofd stond niet naar lezen.
Als een soort meditatief herstel van een ziekenhuisopname werkte ik aan een legpuzzel. Daardoor weet ik nu hoe het voelt als je dagenlang naar een specifiek puzzelstukje zoekt.

Ben je aan het puzzelen?”, vroeg de buurvrouw, toen ik tussendoor even met haar op een zonnig terras op het Stadionplein zat, aan de voet van de lange bak aarde, waar nu het kunstwerk “11 Rue Simon-Crubellier” is verrezen.

Stomverbaasd keek ik mijn buurvrouw aan. Hoe kon ze nou weten dat ik aan het puzzelen was? Zag ze dat aan mijn neus, daar op dat terras? Hoe kon dat?
Het was idioot: ze zag het aan mijn arm!
In de warme plakkerigheid van de zomer was er een legpuzzelstukje aan mijn onderarm blijven hangen en wonderbaarlijk genoeg had dat stukje mijn wandeling naar het Stadionplein overleefd.
Ik had het ook kunnen verliezen.

life-puzzle

Puzzelstukjes verdwijnen soms. En dan krijg je het plaatje niet meer compleet. Bij de schrijver Georges Perec is dat het geval. In al zijn boeken is er een (verkapte) zoektocht gaande naar het puzzelstukje van zijn jeugd: zijn verdwenen Joodse familieleden, zijn herinneringen.
“Mijn moeder heeft geen graf”, schrijft hij, n.a.v. haar deportatie op 11 februari 1943 naar Auschwitz. Perec is dan zes jaar. Er is verder niets over zijn moeder bekend. Ze is opgelost in het niets.”Ik heb geen herinneringen aan mijn kinderjaren”.
Ja, dan heb je een gebruiksaanwijzing nodig om te kunnen leven. Voilà, de titel van het boek over de 11 rue Simon-Crubellier.

perec-puzzle-piece

Georges Perec (1936-1982)

Wat is er aan de hand met dat gepuzzel op de 11 Rue Simon-Crubellier?
Te midden van veel zwarte details, zoals ik in het eerste blog uit deze serie liet zien, is een aantal bewoners in dat flatgebouw met elkaar betrokken bij een krankzinnig verhaal over aquarellen en puzzels.
Maar in feite vindt er in dit verhaal een ritueel vernietigingsproces plaats.

AQUARELLEN

Zoals Perec in een eerdere roman (over zijn jeugd, op zoek naar een verzonnen eiland W) zelf de wereldzeeën was afgestruind, laat hij nu een steenrijke bewoner aan de 11 rue Simon-Crubellier, een Engelsman, de wereld afstruinen om zee- en havengezichten te schilderen. Aquarellen, op papier, waarin een watermerk W van Whatman staat.
De miljardair, die met zijn tijd en zijn leven geen raad weet, wil zo het Zinloze van Alles, nutgeven. Hij doet er 20 jaar over, maakt 500 aquarellen, de laatste van de haven van Brouwershaven in Zeeland.

havensluis-Brouwershaven

Ad Kikkert (1914-1995): zeesluis Brouwershaven

De miljardair heet Percival Bartlebooth (let op zijn voornaam, bij Perec is Niets zomaar bedacht; ik denk aan Parsifal die op zoek was naar de Heilige Graal) en maakt er zijn levensdoel van.
Hij bedenkt een plan, waarbij meerdere bewoners van het flatgebouw betrokken raken.

BURENNETWERK

Voorafgaand aan zijn reizen, neemt hij eerst 10 jaar schilderles bij een buurman, die schilder is, Serge Valène. Een andere buur wordt zijn secretaris, die hem 20 jaar lang op reis vergezelt. Tijdens die reizen worden de aquarellen als pakketjes naar de 11 Rue Simon-Crubellier opgestuurd. De postzegels komen terecht bij een buurjongetje.

net-a-porter-vacation-kit-

Een buurman die houtbewerker is, Gaspard Winckler, vraagt hij om de 500 aquarellen op te plakken en er legpuzzels van te zagen. Die door een buurvrouw in mooie zwarte dozen worden bewaard met een zwarte strik erom heen.
Deze puzzels worden door de Engelsman 20 jaar later zelf in elkaar gezet. Het leven moet toch ergens zin voor hebben?
Maar daar laat Perec het niet bij.

PUZZEL

Het is een hele puzzel, dat boek over de 11 rue Simon-Crubellier, dat begint met een taai hoofdstuk over de ins en outs en de talloze vormen van legpuzzelstukjes. Je moet er maar doorheen komen, door dat eerste hoofdstuk!

tumblr_kqsblkZqxn1qa53j3o1_1280

Omdat ik zelf in een enorm woonblok woon, waarbij op mijn ene lift al 30 huisdeuren uitkomen, terwijl er vele liften zijn, hielp dit gegeven mij bij het lezen van het boek om me voor te stellen hoe er allerlei kruislingse dwarsverbanden ontstaan tussen de diverse bewoners van dat 10-etages hoge Parijse flatgebouw. Er spint zich een heel netwerk van burencontacten rond dat verhaal over puzzels en aquarellen.
Perec maakt er een spel van. Een spel dat hij speelt met de lezer.

RITUELE VERNIETIGING

22801697-houten-schildersezel-met-leeg-canvas-geïsoleerd-op-zwarte-achtergrond

Vanaf het begin is het plan van de miljardair, om de puzzels ook weer te laten verdwijnen. Om de legpuzzels weer terug te brengen tot de oorspronkelijke aquarel.

Sterker nog: ook de aquarellen wil hij laten verdwijnen, m.a.w. hij wil de water-verf-achtige herinneringen aan de zeegezichten laten oplossen in het Grote Niets.

Door het oplossen van de aquarellen tot opnieuw een blanco vel papier met het watermerk W erin, “zou het hele project in zichzelf verdwijnen zonder sporen na te laten”.

Het plan van de re-aquarellisatie van de puzzels had geen enkel nut. Maar dat vond de Engelse miljardair prima. Het ging hem om “niets“.

Om zover te komen moet dan eerst een buurman op de 11 rue Simon-Crubellier iets verzinnen om de puzzelstukjes weer naadloos aan elkaar te plakken. Een ander verzint een procedé om de aquarel weer los te weken van het hout. En daarna wil de miljardair de aquarel op de plaats waar ie geschilderd is, terugbrengen en op rituele wijze bewerken met een oplosmiddel.

13466missing_jigsaw_puzzle1[33699]

Als een buurman, die tv-producent is, van dit rituele vernietigingsproces hoort en ervan een tv-uitzending wil maken, loopt het – na veel gesoebat en concessies met Bartlebooth – uiteindelijk uit op het verbranden van de filmopnames.
Vooral nadat een kunstcriticus, die er wel een modern kunstproject in ziet, er 10 miljoen dollar voor heeft geboden.
B

artlebooth wil dat helemaal niet.
Het hele proces van de aquarel-puzzel-vernietiging raakt zo verstoord in zijn opzet. En uiteindelijk besluit de Engelsman dat hij de rest van de puzzels in de zwarte dozen zou laten “en in een verbrandingsoven” zou gooien.

Zo speelt Perec met metaforen.

Ondertussen zit de schilder Valène, de oudste bewoner van het pand, voor een leeg schildersdoek en mijmert hoe hij dat flatgebouw aan de 11 rue Simon-Crubellier met al die mensen erin zou kunnen schilderen.

14072Rembrandtzijnatelier

1629 Rembrandt in zijn atelier

Hij denkt aan “de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”.
Hij “had soms de indruk dat de tijd stil was blijven staan”.
“Alleen al de gedachte aan het schilderij dat hij van plan was te maken (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)”.

Maar als Valène sterft, is het schilderij op zijn schildersezel nog praktisch maagdelijk wit.

VLAKGOM

Het verdwijn-thema komt in allerlei details terug, ook in zijlijnen. Zo wordt in de zak van een regenjas van een vroegere Joodse bewoner van het pand, die bij een razzia wordt opgepakt, door de Gestapo een doosje gevonden met op het deksel: een reclametekst voor “vlakgom veeguit“.
Ook gaat iemand dood aan het overmatig kauwen op het gummetje van zijn potlood.
Het lijkt een volkomen onbeduidend detail, over de man van de concierge, maar in het vernuftig geconstrueerde boek van Perec worden errugh veel details opgesomd, en bijna geen één detail is onbeduidend.
Vlakgommen wissen dingen uit. En daar gaat het over bij Perec. Hij speelt met het thema van vergeten, uitwissen, oplossen in het niets.

1040214

Een kruimeldief en het mondstuk van een steelstofzuiger: 2 schoonmaakobjecten in brons in het kunstwerk 11 rue simon.Crubellier, van Matthew Darbyshire, Stadionplein 2018

VERNIETIGING IN DE KUNST

Het brengt bij mij – hoe kan het ook anders – toch ook andere kunstprojecten in gedachten. Perec kan, behalve door zijn jeugd, ook geïnspireerd zijn door de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg (1925-2008), die in 1953 een kunstwerk van de beroemde Nederlandse Willem De Kooning (1904-1997) uitwiste.
Erased De Kooning” heet het. Het is in 1998 aangekocht door het San Francisco Museum of Modern Art. Een leeg uitgewist schilderij dus! Het wordt in postmoderne kunstkringen gezien als een neo-dadaïstisch conceptueel kunstwerk.

Leuke video van Rauschenberg over zijn uitgewiste schilderij:

694

Banksy versnippert, oktober 2018

En dan Banksy natuurlijk laatst!
Wat te denken van de Britse straatkunstenaar in oktober 2018 met zijn stunt op een veiling om zijn eigen kunstwerk te versnipperen, net nadat het verkocht was voor 1,2 miljoen euro. De kunstwereld werd voor gek gezet.
De opzet was dat alles versnipperde. Maar na de gedeeltelijke versnippering is het kunstwerk prompt 2 miljoen waard geworden, omdat er die avond tijdens de veiling een nieuw kunstwerk is ontstaan ;-).
Video: https://www.telegraaf.nl/video/2697725/banksy-onthult-snipperstunt-mislukt

rompecabezas-puzzle

Het puzzelstukje, de Jeugdherinnering W, past niet in de puzzel.

W

Als Bartlebooth uiteindelijk sterft, mist er één puzzelstukje op het zwarte tafelkleed. Het heeft de vorm van een X.
Een kruis, zou je kunnen zeggen.

In zijn hand heeft hij een puzzelstukje in de vorm van een W.

En W verwijst bij Perec naar alles wat met zijn verdwenen moeder te maken heeft en naar zijn

W

roman “W en de Jeugdherinnering” over een fictief eiland W, vol kadaverdiscipline en – hou u vast – Olympische Spelen, bizar genoeg.

(Boekcover-ontwerp van Perec met Olympische ringen van prikkeldraad)
Een krankzinnige speling van het lot wil dat Amsterdam Stadsdeel Zuid het kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire recht tegenover het Olympisch Stadion plaatst.

(Wordt vervolgd)