Tagarchief: Amsterdam ZUid

Friet op de Parnassus

s710742923750749015_p3_i2_w640.jpg
Het Parnassusbergmassief in Griekenland met Orakel van Delphi ter ere van Apollo

Parnas heet tegenwoordig de wijk die de Amsterdamse Stadionbuurt verbindt met de Zuidas. Althans, in trendy stedebouwkundige termen heet die wijk zo. Je moet toch wát, om je vastgoed te verkopen?
Het gebied is in ontwikkeling. De Amsterdamse Rechtbank wordt opgepimpt en de kantoortoren uit 1977 aan de Parnassusweg geheel gestript, van een glazen façade voorzien met restaurant aan het water en verhoogd tot bijna 60 meter. Voor de bewoners rondom de Stadionweg betekent dat een extra stukje blauwe lucht minder. De hoogbouw van de Zuidas rukt op.Zo’n toren heet tegenwoordig een Tower, zoals ook het hotel aan het eind van deze bebouwde Parnas-strook nu Olympic Hotel heet en de opgeleukte Citroëngebouwen naast het Olympisch Stadion, The Olympic zijn gaan heten. Oh, oh, wat zijn we hot. Nu krijgen we in september dus ook een Parnassus Tower.

20190821_222146.jpg
Amandelvormig brughuisje op de Parnassusbrug met moderne Parnassus Tower .

Geen Amsterdammer noemt het gebied Parnas. Elke Amsterdammer kent de Parnassusbrug vooral van de twee friettentjes, die er sinds jaar en dag aan beide zijden van de brug huizen in de prachtig gesculptuurde brughuisjes in Amsterdamse Schoolstijl van architect Piet Kramer (1881-1961).

De bestemming van de amandelvormige huisjes was altijd een kiosk, er heeft nog een rijwielzaakje ingezeten en onderin waren er urinoirs. Ook de afdeling Beplanting van de Gemeente gebruikte een huisje(*2)Op de brug zelf vallen de ingebouwde glooiende banken op, het siersmeedwerk in de brugleuning en aan weerszijden van de brug de gebeeldhouwde stenen beelden van Hildo Krop (1884-1970). Ik bedoel: het is niet zomaar een brug, het is een prachtbrug, een meterslang architectonisch bouwwerk, een schoolvoorbeeld van organische architectuur in mijn ogen.

Zwevende Muze, beeld van Hildo Krop (1884-1970) uit 1941, geplaatst 1957 op de Parnassusbrug

FILM

Via NPO-start (of via de link onderaan dit blog) kunt u een grappige, 30 minuten durende film “Parnassus” zien, waarin op deze Parnassusbrug een modern Romeo en Julia-liefdesdrama wordt uitgevochten, tussen de twee families in de friethuisjes, recht tegenover elkaar op de brug. Zie hier de trailer: 

De twee frietboeren met hun zoons beconcurreren in de film elkaar bijkans dood. Maar ja, dan komt er een zus in het spel…en vechten liefde en haat om de overhand. Een filmdebuut uit 2015 van de jonge acteur/regisseur Robin Boissevain (1996), waarin de oude Parnassuskantoortoren nog te zien is.1050531(0).jpgOké, de Parnassusbrug kennen we van de friet. Maar wat er nou op de Parnassus-berg gebeurde in het Olympische Griekenland???? Misschien weten we nog nét dat Montparnasse een kunstzinnige wijk op een heuvel in Parijs is, iets waar mondain Amsterdam nu met zijn Frans-klinkende Parnas op inspeelt.1050511.jpgDe brug verbindt vanaf begin jaren ’40 het toen nog landelijke Buiten-veldert met de Stadionbuurt. De hoekflats aan de Parnassusweg lijken wel een toegangspoort tot de Zuidrand van de stad. Daar begon Amsterdam. De weg loopt uit op het Olympiaplein, en aan de andere kant van dat plein begint de Apollolaan.
Ahh, denk ik, wat zit er toch een vernuftig doordacht systeem in die hele naamgeverij van zo’n stad!

APOLLO EN ZIJN MUZEN

Want het was Apollo, god van de muziek en de schone kunsten, die op de Parnassusberg, in het plaatsje Delphi, in een tempelcomplex vereerd werd in het Olympische Griekenkand. Samen met zijn negen Muzen, die allerlei kunstenaars inspireerden.

Vandaar ook dat fantastische stenen beeld van een Muze op de Parnassusbrug, aan de voet van de Parnassus Tower! Heeft u er wel eens bij stilgestaan?

Apollo met dichters en muzen op de Parnassusberg, fresco van Rafaël: 1509-1511

Een Apollolaan achter een Olympiaplein en een Parnassusweg: daar zit dus een hele gedachte achter. Ook de aangrenzende schildersstraten, genoemd naar bijvoorbeeld Rafaël, Tintoretto, Watteau volgen daar logischerwijs uit voort. Met een Cliostraat middenin de schildersbuurt, de naam van een muze. En ook de muzikale namen als Mahler, Stravinksy, Gershwin, Vivaldi voor straten, tunnels en gebouwen op de hippe Zuidas.

Deze zomer stond er een houten versie van Apollo met dansende muzen op de Apollolaan tijdens #ArtZuid, waarover ik eerder schreef in Muziek in wrakhout van de jonge architect/kunstenaar Ivan Cremer.

20190608_014238.jpg
Apollo en zijn 9 muzen op de Apollolaan #ArtZuid, Ivan Cremer

En er was een gouden Apollo op de Parnassusberg in Amsterdam te zien tot 25 augustus, tijdens de tentoonstelling De Schatkamer, Meesterwerken in de Hermitage. Een Apollo met lier – net zoals de lier bovenop het Concertgebouw – maar in de Hermitage stond Apollo bovenop een 18e eeuws bureau van een Duitse meubelmaker Rõntgen, gemaakt in opdracht van de Russische keizerin Catharine de Grote: Apollo and the Arts, a musical marvel: een krankzinnig barok bureau dat zich als een muziekdoos opende!

Apollo bovenop de Parnassusberg, op een bureau, in de Hermitage van Amsterdam

Die ambtelijke afdeling die een namensysteem bedenkt voor een stad, een wijk, een buurt kàn dus blijkbaar best zijn stedebouwkundige werk uitstekend doen. Als ze willen. Dan brengen ze logica in zo’n stad aan, zodat ieder zijn weg kan vinden. Dat is de functie van zo’n stratenplan.

Die ambtelijke afdeling die daar verantwoordelijk voor is, heet de Dienst Basisinformatie. Ik had er nog nooit van gehoord, totdat ik vorig jaar ermee kennismaakte toen ze dwars tegen alle adviezen van raadgevers in, hun idee voor een Johan Cruijfplein middenin een Olympische buurt wilden doordrukken.

Zwaveldampen in het Parnassusgebergte. Bij het Orakel van Apollo vroeg men om raad.

GEESTVERRUIMENDE ZWAVEL IN DEPLHI

Die ambtenaren van de gemeente hadden eens een tripje naar die Parnassusberg moeten maken, bedenk ik me nu.

In dat Griekse Parnassus-bergmassief hangen nl. zwavelwolken, die tot vooruitkijkende inzichten van helderziende oudere vrouwen leidden. Een soort profetessen waren het in het vóór-Christelijke Griekenland. De Parnassus was het centrum van ‘waarzeggerij’.

Tegenwoordig zou je dat soort vrouwen een “medium” noemen, en hun zwavel wellicht een geestverruimend middel, zij kregen boodschappen door van de god Apollo, zij communiceerden tussen jou en de god bij het “Orakel van Delphi”.

Je ging dus voor raad en advies c.q. voorspellingen naar de Parnassusberg, naar Delphi. Toen de (latere) Christelijke keizers dat nog niet verboden hadden, werd daar heel wat waarde gehecht aan die bezwavelde orakeltaal.

Dat tripje hadden die ambtenaren vorig jaar ook eens moeten maken!
Gewoon een frietje op de Parnassusbrug gaan halen!
Een frietje… met zwavel!

  1. *De film “Parnassus” van Robin Boissevain, een liefdesdrama in 30 minuten tussen twee friet-families op de Parnassusbrug: https://www.2doc.nl/speel~VPWON_1249702~parnassus-vriende-en-rauwkost-3lab~.html
  2. *Het online-tijdschrift Wendingen, over de fraaie architectuur van de Parnassusbrug: https://amsterdamse-school.nl/objecten/objecten-in-de-openbare-ruimte/brug-415,-parnassusbrug/

De Armen van Zuid

Details van sculpturen van Art Zuid:

Van het Apocalyptische Le Souffre van de Canadees David Altmejd, en Apollo Offering (Arman) via een Duikende Atleet van de Poolse Jerzy Kedziora naar details van de liggende La Rivière van Aristide Maillol en tenslotte detail van een muze, die haar armen naar de hemel uitstrekt, onderdeel van de houten Birth of Apollo van Ivan Cremer

De klauwen van een faun? Monsieur Teste, Arman
Detail van een Myth (Sphinx)- Marc Quinn

Van de arm van de “De Zaaier” en handloze mouwen van de “Leider” van Atelier van Lieshout, via de Welcoming Arms van Louise Bourgeois in de tuin van het Rijksmuseum, naar de glimmende Man die een vuurtje geeft (Jan Fabre) en een Venus zonder armen (Eja Siepman v d Berg).

De Amsterdam Art Biennale: te zien tot en met 15 september 2019

What’s in a name

Het is bizar. Wat zegt de titel van een kunstwerk nou eigenlijk? De naam van een straat, een plein? Wat is de functie ervan? Ik vroeg me dat af, toen in 2018 eerst de naam Stadionplein na 104 jaar dreigde te verdwijnen en ik daarna – door de Franse titel van het kunstwerk van Matthew Darbyshire op het Stadionplein – de joodse Franse schrijver Georges Perec ontdekte en merkte dat zijn hele schrijversoeuvre gaat over het thema “verdwijnen”. Wat zegt dat over het kunstwerk 11 rue Simon-Crubellier van Darbyshire?

De middelste ring van de 5 Olympische ringen op het Olympische Stadion, recht tegenover het zwarte kunstwerk 11 Rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire op het Stadionplein.

Namen van straten en pleinen ordenen, geven structuur en richting aan een stad. Straten in een buurt hebben dezelfde type namen. Ook de naam van een kunstwerk geeft richting aan het denken over een kunstwerk. Denk ik.

TITELFUNCTIE

In het Singer Museum Laren zag ik laatst nog heel wat naambordjes “Zonder Titel” naast kunstwerken, zoals bij een tafel van Tom Claassen. Vermeld werd dat het uit natuurrubber, schuim en 7 vliegen bestond. Tussen haakjes was toegevoegd dat het om een tafel ging ;-).

Als er zo’n bordje zou komen (“Untitled”, materiaal: zwart gepatineerd brons en beton) bij het design-appartement van Matthew Darbyshire op het Stadionplein zou je naar een berg meubels kijken, die samen een moderne sculptuur vormen: een driekamer-appartement. Maar mét de door Darbyshire gekozen Franse titel “11 rue Simon-Crubellier” wordt het m.i. een ander verhaal. De gemeente Amsterdam plaatst binnenkort een plaquette bij het kunstwerk. Ik ben benieuwd.

P1040293
De Britse kunstenaar Matthew Darbyshire in zijn kunstwerk, november 2018

In kunsttijdschrift Mister Motley memoreren ze wat kunstenaar Marcel Duchamp (1887 -1968) ooit zei over titels van kunstwerken.

‘De titel van een schilderij’, zei Marcel Duchamp “is één van de kleuren op het palet van de kunstenaar”. Als ware het een onzichtbare tint die ons denken kleurt.

Duchamp gaf hiermee aan dat titels méér zijn dan alleen objectnaam. Immers, titels prikkelen de fantasie, verklaren, geven houvast en zaaien in een enkel geval zelfs verwarring.” (uit “Het benoemen van de dingen”, Saskia van Kampen. Mister Motley

11 FEBRUARI 1943
De Franse titel ’11 rue Simon-Crubellier’ van het Stadionplein-kunstwerk kan verwarring zaaien, ja. Maar biedt mij tegelijkertijd de vrijheid om het te duiden binnen de context van de Stadionbuurt.

3110ed85ce0b7c7b688b73824cd8ef48 - kopie
Franse cover. Vertaald heet het boek: Het leven een gebruiksaanwijzing (1978)

Het woonadres “11 rue Simon-Crubellier” komt uit het literaire oeuvre van de Fransman Georges Perec (1936-1982), geboren uit Pools-Joodse ouders. Op een studieavond over Perec ontdekte ik dat in heel zijn oeuvre de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is.

Als Perec het getal 11 noemt, raak je als Perec-kenner altijd alert”, hoorde ik van mw. dr. Manet van Montfrans, in Nederland gepromoveerd op Perec.

De 11 verwijst
naar 11 februari 1943, de dag waarop tijdens een razzia in Parijs zijn moeder werd opgepakt, haar vader en haar zus. Van alle drie is nooit meer iets vernomen. Ze zijn spoorloos verdwenen.
Perec weet alleen dat zijn moeder gedeporteerd is naar Auschwitz.

Zijn leven lang houdt hij haar “Acte de Disparition” – een staatsdocument over haar vermissing – bij zich.
Perec houdt van cryptisch schrijven, zaken verstoppen, zoals in zijn e-loze boek uit 1969, “La Disparition (2 + 11 letters, 11 februari) waarin ook de één na de andere persoon verdwijnt, terwijl die mensen onderling met elkaar verbonden blijken door een kringvormig merkteken op de onderarm dat de letter e blijkt te zijn. De associatie met een kampnummer dringt zich op. Het e-loze boek is meer dan een taalspel, er is constant sprake van een gemis. In het Nederlands heet het: ’t Manco.

Zijn vader sneuvelde als soldaat in 1940, zijn andere opa werd ook gedeporteerd. Zijn oma ontsnapte omdat ze tijdens de razzia niet thuis was, en voegde zich bij de 8-jarige Perec, die – met zijn verfranste Poolse naam Peretz – in 1942 in een Frans bergdorp was ondergebracht, waar zij vanwege haar Poolse jiddisch voor doofstom moest doorgaan.

Die thema’s – vermissing, doofstomheid, kidnapping, verdwijnen, identiteit- en naamswisseling- verstopt Perec in al zijn boeken. Ik heb er nu 4 gelezen. In Perec’s debuutroman Les Choses/Things (1965) – dat de Engelse kunstenaar Matthew Darbyshire, vertelt hij mij, vooral beïnvloed heeft – gaat het om een identiteit die niet moet zoekraken, als je je omringt met luxe en designvoorwerpen.
Dat spreekt Darbyshire vooral aan.

MAUSOLEUM

De vraag is of hij zich gerealiseerd heeft – als je dan een titel naar Perec vernoemt en Georges Perec daarmee ” naar Amsterdam haalt” – dat je met Perec automatisch eigenlijk de oorlog meekrijgt. De meeste Perec-boeken zitten vol biografische hints, als je tenminste weet waarnaar je zoeken moet. Anders lees je daar overheen. Het is een mysterieuze schrijver.
Misschien is dat geheimzinnige niet vreemd voor iemand, die als kind met zijn verfranste naam en ‘onderduikachtergrond’ in een bergdorp, met zijn Poolse oma niet herkend mocht worden door Duitsers. Kortom, Perec houdt van: zich verstoppen.

Ook de naam van zijn Poolse moeder Cyrla Szulewicz – verfranst tot Cécile of Caecilia (patrones van de muziek) – gebruikt hij op tal van manieren in diverse boeken. Er is altijd wel een operazangeres, ook op de 11 rue Simon-Crubellier.

Het hele flatgebouw op dit adres propt hij boordevol bewoners en kan gezien worden als een eerbetoon aan allen die verdwenen zijn.

hij dacht aan de anderen, aan al diegenen die al vertrokken waren (…)”
“Over de trappen glijden de vluchtige schimmen van al degenen die daar eens waren”(p. 72)

Op de 11 rue Simon-Crubellier laat Perec vervolgens een heel ritueel vernietigingsproces plaatsvinden van puzzelstukjes.

zo zou er geen enkel spoor overblijven (-)” p.130
(Uit: Het leven een gebruiksaanwijzing)

Go_ko_animación

Ook het getal ’43 verstopt hij, vertrouwd als hij is met Joodse getallensymboliek en Kabbala.

Hij laat in het trappenhuis 4 zwarte en 3 witte marmeren schijven “vinden”, die zo zijn neergelegd dat ze samen in het Japanse go-spel het woord Eeuwigheid vormen (p.477).
Hoe cryptisch wil je het hebben voor een jongen, wiens familie is uitgemoord. De oudste bewoner van het pand, een schilder die het flatgebouw wil schilderen, mijmert:

“alleen al de voorstelling die hij zich maakte van dat opengebroken pand dat de scheuren van zijn verleden (-) toonde (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)” p.138

Voilà, 11 rue Simon-Crubellier als mausoleum. Als praalgraf dus.

STADIONBUURT

Met dit gegeven krijgt het Stadionpleinkunstwerk met de Franse titel voor mij ineens een heel andere lading.
Ik denk aan de verdwenen joodse schoolkinderen uit de Stadionbuurt, waarover schrijver Heere Heeresma (1932-2011) – buurtbewoner tijdens de oorlog – schreef in zijn boeken “Een jongen uit Plan Zuid” (2005).
Ik denk aan de verlaten huizen, die door andere bewoners in beslag genomen werden. Heeresma beschrijft dat heel treffend, als hij op de Stadionweg één van zijn joodse schoolvriendjes Mosje Ansinger weer wil bezoeken, maar plots ziet dat het naambordje is veranderd en er wordt opengedaan door onbekende mensen.

“Ik kom voor Mosje, mijn vriendje. Mosje Ansinger”.
De vrouw schudt haar hoofd. “Die woont hier niet”.
Maar langs haar heen zie ik dat mooie met parelmoer ingelegde tafeltje met daarop die lamp met een schelpachtige kap en daarnaast een echt troubadourzeteltje, dat Mosje en ik naar het balkon tilden zodat we bij de hoog geplaatste vliegenkast konden om er een appel of een banaan uit te jatten. (-).
“Wat is daar” hoor ik een mannenstem achter in het huis roepen.
De vrouw roept terug terwijl ze me aan blijft staren. “Een jongetje dat naar de familie Ansinger vraagt!”.
“Laat-ie opdonderen!”.
(-) Het portier zoeft dicht…”
(Een jongen uit plan Zuid, deel 1, pag.73)

Deportatie-Amsterdam-20-6-1043-Beeldbank-WO2-NIOD-96771
Olympiaplein, hoek Marathonweg: deportatie van Joden, 20 juni 1943, foto Beeldbank

Van diverse adressen in de Stadionbuurt zijn ook na de oorlog bij de Duitse overheid zogenaamde Möbelclaims ingediend vanwege leeggeroofde inboedels.

Ons eigen Olympiaplein was op 20 juni 1943 een belangrijke verzamelplaats tijdens meerdere razzia’s die dag in Amsterdam.
Het is een pijnlijke oorlogsgeschiedenis die de straten kleurt van een buurt met zowel heel veel NSB-adressen (zoals 2 jaar terug op een map van bet Stadsarchief duidelijk werd gemaakt NSB in Zuid) als veel Joodse bewoners, voornamelijk gevluchte joodse immigranten uit Duitsland en Oost-Europa (net als de Poolse families Szulewicz en Peretz in Parijs)

stippenkaart - 2

20190430_190746
1548 joden in de Stadionbuurt, detail van de Amsterdamse Stippenkaart uit 1941. Elke stip staat voor 10 joodse bewoners, 1100 werden vermoord, zo’n 7 procent van de Stadionbuurtbevolking

PLEK VOOR 1100 STOLPERSTEINE

Op een bevolking van 16.592 mensen in de Stadionbuurt was in 1941 een kleine 10 procent Joods. Van de 1548 Joden in de Stadionbuurt werden er, naar mijn berekening, zo’n 1100 vermoord, d.w.z. 71 procent.
Ik heb voor deze gegevens Joodsmonument.nl, het Stadsarchief en het NIOD geraadpleegd. De beruchte Joodse stippenkaart, die de Duitsers in 1941 door ambtenaren lieten maken, is ook een belangrijke bron. Elke stip op de kaart staat voor 10 joden. Je ziet dan dat er in de Beethoven- en Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid meer joden woonden dan in de Stadionbuurt; en in Oost en rond het Waterlooplein veel meer. Voor de Stadionbuurt begrens ik me tot en met het Olympiaplein.

sternfeld_edith_with_brother_martin_and_his_wife_molly_jpg()(F72F55D018125D640EBDF423A45BAD09)
Edith en haar broer Martin Sternfeld, met zijn vrouw Molly op hun balkon, vermoedelijk in de Stadionstraat 23 III. Molly overleefde.

In de Achillesstraat alleen al tel ik 92 vermoorde joodse buurtbewoners, in de Herculesstraat 59, op de Stadionkade 89, en zo kan ik doorgaan. Meerdere gezinnen plegen zelfmoord.

Hoe moet ik me een lint van 1100 messing Stolpersteine, struikelstenen, door de Stadionbuurt voorstellen, als iemand daar geld voor over heeft? Een project van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig.

Ik zie dat er in het huidige Olympisch Kwartier, dat toen maar uit één woonblok bestond in de Stadionstraat, 9 joden woonden. O.a. een gevluchte jurist Martin Sternfeld en zijn zus Edith, uit Oost-Pruisen: Martin werd al op 16 september 1941 vermoord in Mauthausen. Edith in Auschwitz. Ik vind een balkonfoto van hen voor een houten verandakast, zoals de oude huizen hier hebben.

HARRY ELTE

Ook de feitelijke naamgever van de Stadionbuurt, de joodse architect Harry Elte (1880- 1944 Theresienstadt), werd als bewoner van de Stadionweg, in 1942 gedeporteerd. Hij was het die met zijn sportstadion in 1912 – ver voor de Olympische Spelen van 1928 – aan de namen Stadionweg en Stadionplein bijdroeg.

Dat gegeven brachten buurtbewoners in 2018 in herinnering toen de naam Stadionplein bijna verdween. Moest eerst Eltes stadion verdwijnen voor nieuwe huizenbouw in de jaren ’30, en moest hijzelf in 1942 verdwijnen, zou dan nu ook nog zijn Stadionplein moeten verdwijnen?

De gemeente was niet ontvankelijk voor dit argument, maar zegde wel schriftelijk toe aan de actievoerders om Harry Elte in de stad te gaan vernoemen. Hoezo architect Jan Wils van het Olympisch Stadion wel, immers, en Harry Elte niet?

album_large_7971
Het stadion van Elte 1912-1929, naamgever van Stadionweg en Stadionplein, aan rand van Amsterdam met weilanden.

HOMMAGE AAN PEREC

Matthew Darbyshire vindt het, desgevraagd, prima als ik zijn 3-kamerappartement ’11 rue Simon-Crubellier’ een duiding geef, omdat hij zich realiseert dat dit inherent is aan kunst in de Openbare Ruimte.
Maar hij relativeert al snel de functie die een titel van een kunstwerk volgens hem heeft. De titel maakt volgens hem maar 1 procent van een kunstwerk uit. Eén procent.
“I’ve highlighted before that the appropriation of Perec’s fictive address informs what I believe to be approx one percent of the works content.”


Hij vond het te midden van de Brexit-hectiek wel aardig, zegt hij, om met een Franse titel een statement te maken.
Hij ziet zijn design-meubels ook zeker niet als letterlijke uitbeelding van het Franse flatgebouw, dat Perec beschrijft, maar de Franse titel ziet hij wel als “eerbetoon aan Perec”.
Hij bewondert de Franse schrijver; zegt gefascineerd te zijn door de complexiteit van Perec’s boeken.
“I hope at the very least it is understood as a tribute to the extraordinary intellectual voyeur, philosopher, poet, prankster, artist, filmmaker…just incredible thinker who is certainly worthy of this oblique memorial!”

Een hulde aan Perec dus. Een soort van gedenkteken. Maar teveel accent op Perec is niet zijn bedoeling.

Wat mij betreft is dan de cirkel rond. Eerst richt Perec een heel flatgebouw op aan een fictieve 11 rue Simon-Crubellier, ter nagedachtenis van zijn verdwenen familie, vervolgens ziet Darbyshire zijn driekamer-appartement 11 rue Simon-Crubellier als eerbetoon aan Perec.
Ik vraag hem wat hij ervan vindt als ik de (joodse verborgen) achtergrond van het oeuvre van Perec verbind aan de geschiedenis van de Stadionbuurt, en daarmee aan “11 rue Simon-Crubellier” op het Stadionplein. Darbyshire:
I’m delighted that these histories can be crossed and interlaced. It certainly was not my intention but hopefully you can see how I have tried desperately to leaves things open, malleable and democratic as possible”.

Alle interpretaties zijn dus mogelijk.

CITIUS, ALTIUS, FORTIUS


Tot slot moet ik dan nog een ander bizar detail vermelden. Precies tegenover het zwarte kunstwerk op het Stadionplein staat de poort van het Olympisch Stadion met de 5 Olympische ringen en de leus: Citius, Altius Fortius: sneller, hoger, sterker. Opvallend genoeg komt deze Olympische leus voor in Perec’s wonderlijke semi-autobiografische roman “W, of de jeugdherinnering” (1975) over een zoekgeraakt doofstom kind.
DSC03812
Olympische leus boven toegangspoort Olympisch Stadion: sneller, hoger, sterker

Ik zei al: in meerdere romans van Perec raken mensen of dingen spoorloos. Of wisselt hij van identiteit. In de zoektocht naar dat kind belandt hij op een eiland W. waar een extreem-hiërarchische, maniakale, zelfs sadistische Olympische sportcultuur heerst vol regels en dwang. Met Duits geschreeuw “Schnell, schnell” worden verliezers in de sport afgestraft.

De atleten hebben grijsgestreepte trainingspakken aan met de letter W op hun rug of van witte stof genaaide driehoeken op hun borst. De parallel met jodensterren en concentratiekampen is evident. Een Roemeense bookcover laat dat ondubbelzinnig zien.

1257482
Roemeense bookcover van boek over zijn jeugd

Perec gebruikt de Olympische sportbeoefening dus als metafoor voor de kadaverdiscipline die er heerst in totalitaire regimes als het nazisme.
Van het doofstomme kind wordt niets meer vernomen…

De hoofdpersoon in het boek over de 11 Rue Simon-Crubellier sterft met in zijn hand een puzzelstukje in de vorm van de letter W. Het puzzelstukje past niet in de puzzel die op tafel ligt.

En zo zitten we dan in Amsterdam – recht tegenover het Olympische Stadion met de leus Citius, Altius, Fortius – met het wonderlijke verschijnsel dat er in deze buurt allerlei Möbelclaims tegen de Duitse staat zijn ingediend en er nu een meubelkunstwerk “11 rue Simon-Crubellier” is, welke naam bij Perec indirect verwijst naar een razzia op 11 februari 1943.

U kunt natuurlijk zeggen: what the hell. What’s in a Name?

Maar m.i. lijkt het erop dat een kunstwerk met deze titel exact past in de Stadionbuurt. Het is precies het juiste puzzelstukje.
Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten’ (citaat uit de Thora)

P1040821
Stolperstein, Argonautenstraat 12 II
P1040823
Stolpersteine, Herculesstraat 25A I
P1040824
Stolpersteine, Parnassusweg 10 II

© Overname van gedachtengoed uit dit blog s.v.p. met bronvermelding

Dit is blog 6 in een serie over “11 rue Simon-Crubellier”

Anybody home?

Het is mutsenweer. Half november, er staat een gure wind, handen houden open kragen bijéen. Bakfietsvaders en moeders achter kinderwagens sjezen in grote vaart voorbij. Kranten-bezorgers met overvolle fietstassen, haastige postbodes, zelfs scooters zigzaggen dwars door voetgangersgebied heen. In de week dat de 11 rue Simon-Crubellier als kunstzinnig woonadres 11 dagen is opgeleverd in Amsterdam, observeer ik – verspreid over de week – 11 uur lang haar gasten. En het Stadionplein. 

P1040306A
Als tegen 17 uur de straatlantaarns aanflitsen, verdwijnt de woonkamer in de donkerte. De bewoners van 11 rue Simon-Crubellier zijn vertrokken. Alleen het water is niet afgesloten.

MAANDAG 15.30 – 17.30

Er woont niemand op de 11 rue Simon-Crubellier. Maar de vloer en stoelen zijn nat, alsof de werkster net geweest is. De wind wappert de waterfontein boven de wc-pot wild door het huis .

Rond 16 uur lijkt het alsof er een haardvuurtje wordt aangestoken. In de beregende zwarte linnenkast weerspiegelt een oranje gloed van een zwaailicht van een vrachtauto. Het lijkt 20 minutenlang een wakkerend vuurtje en is het enige levende element in het appartement – naast de waterstralen uit de radiator, de gootsteen en het keukenblok.P1040291
Om 16.07 uur cirkelt een man via het gras door het huis heen, zet zijn capuchon op en verlaat over de deurmat het zwarte ‘pand’. 
Om 16.28 uur vegen twee meiden hun voeten op die deurmat, voelen aan de keukenapparatuur, de stoel in de huiskamer. In de slaapkamer pakt één haar telefoon en begint zichzelf te filmen. Het zijn de 2e en 3e gast binnen een uur.

Om 17.10 bezoekt een vader met peuter – weer via de deurmat – het appartement. De moeder blijft buiten, haar hand op een kinderwagen. Zoekerig lopen de twee rond, dralen bij het keukenblok; dan trekt de vader het kind mee naar de huiskamer en legt zijn hand precies op de plek van de radiator, waar water uitspuit, waardoor de waterstraal oncontroleerbaar wordt.
De vader springt weg. Ik kan het niet horen, maar denk dat de peuter schaterlacht omdat de vader zichzelf steeds herhaalt: zijn hand eventjes op de radiator; en wegspringen. Na een minuut of 5 verlaten ze via de denkbeeldige slaapkamerdeur het zwarte huis.P1040302AOp dit tijdstip in november duurt het niet lang voordat het zwarte kunstwerk verdwijnt in de avondschemer. Als de straatlantaarns aanflitsen, is er niets dat het appartement  verlicht. Er zijn geen bewoners op de 11 rue Simon-Crubellier, hun lampen in de huiskamer en op het bureau doen het niet.
Rode achterlichtjes van auto’s rond het plein schijnen soms even door de vakken van het boekenmeubel heen.
De feestverlichting in de bomen bij het hotel-restaurant op het plein trekt nu meer aandacht.

DINSDAG 10.30 – 12.15

Vaste bezoekers blijken de meeuwen en de kraaien, de kauwen en de duiven op het plein. Vijftien duifjes houden op 5 hoog, onder de dakgoot, het plein in de gaten of zoeken beschutting in de wind, wie zal het zeggen. P1040374

P1040383P1040376Net als maandag, zie ik kijkers.
Kijkers zijn niet meteen ook bezoekers die naar binnengaan. Kijkers zijn overstekende wandelaars met plastic of katoenen boodschappentasjes op weg naar de supermarkt, die misschien even hun tred vertragen en opzij kijken. Een mevrouw achter een rollator met een slepend been; druk discussiërende scholieren met rugzakjes, studenten op gympen, meisjes met wilde wapperende haren in de wind.giphy-3.gif
Als ze stilstaan, staan de meesten stil voor het denkbeeldige keukenraam, omdat het direct aan de straatkant grenst. Er wordt gewezen, er wordt overlegd.

Een fietser in het voetgangersgebied houdt stil bij de logeerkamer, voet aan de grond, stapt niet af maar kijkt, wil doorfietsen, kijkt nog es om en rijdt weer terug.

Ik denk aan het gemopper in de buurt over het zwarte interieur. Maar eigenlijk is iedereen en àlles zo’n beetje donkergrijs en zwart in november om me heen in dit land. Niet alleen de wolken, maar ook de jassen van de mensen, de fietsen, fietskratten, de fietstassen.

Ik ben blij met een voorbijrennende sporter in knalgroen lichtgevend sportpak. Een vrouw met rode baret. Een KLM-stewardess in lichtblauw met rolkoffer. Een wit poedelhondje met rode halsband dat zijn bazinnetje het gras optrekt.P1040327.JPGOok in de moderne brasserie om mij heen is de kleur zwart “bon ton“, afgewisseld met wit marmer, koper en houttinten. De plantenbakken buiten zijn zwart, de boekenkasten binnen, de stoelen, het theeblad. Ook de soepkom is zwart. “Strive to be happy” zegt de zwarte huls van het servet.

Hier netwerken vanaf 8 uur s’ochtends vooral dertigers. Ik hoor marketinggesprekken, Engels, Russisch.  Achter zwarte laptops met ‘wit bedraadde oortjes’ in “delen ze schermen” met onzichtbare klanten aan de andere kant van de lijn.

P1040358
Bezemvegers van de gemeente praten samen over het kunstwerk

Vanuit de verte – vanaf mijn horecastoel – lijkt het misschien even, zoals een kritische lezer van mijn blog laatst schreef als commentaar, of iemand de grofvuildienst heeft gebeld en zijn meubilair op straat heeft gezet. 
Ahhh neee toch...!”, grijnst een Antilliaanse bewoonster van het plein, die naast me zit, iemand die – voor 1.345 euro huur per maand – van 2-hoog uitkijkt over het kunstwerk. Ze heeft een piepklein zwartkrullerig mannetje bij zich, dat ik even warm op mijn schoot mag houden, als zij zijn melkflesje prepareert.
Nee, geen oud vuil, maar ik ben er nog niet goed uit, wat ik ermee aan moet, wat het is!“. 
Ik leg uit wat het is.
Een betonnen 3-kamerappartement van 65 m², naar voorbeeld van de nieuwbouw op het plein, met meubels van 20e eeuwse designontwerpers in zwart brons, die door 45 buurtbewoners zijn uitgekozen uit een voorselectie van de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire.

WOENSDAG 9.30 – 12.30

Op de 11e dag na de House-warming-party van 11 rue Simon-Crubellier, om 11.05 uur, ruimt een voorbijgangster het kunstwerk even op. Ze gooit papiertjes en een kartonnen bekertje in de prullenbak.shutterstock_70714939-1080x675[33696]Mijn gedachten dwalen soms af naar het Franse boek van Georges Perec (dat ten grondslag ligt aan het kunstwerk) en naar de bewoners van die Parijse 11 rue Simon-Crubellier, die met hun vernietigingsproces van puzzelstukjes bezig waren, zoals ik in een eerder blog beschreef.

Ik begin me te realiseren dat mensen misschien niet làng binnenin het appartement op bezoek komen, maar dat als het een gewoon standbeeld was geweest – noem maar wat: een paard met een vent er op, voor mijn part een Griekse held  – dat iedereen er dan gewoon langsgelopen was. Nu zie ik mensen stilstaan, nadenken, een hand aan hun kin, de één blijft aan de stoeprand staan, de ander loopt naar binnen.

Misschien dat het gras om het huis als een soort tuin functioneert, een barrière om binnen te stappen. Als het kunstwerk rechtstreeks op de keien stond, kwam er misschien eerder binnenin bezoek.
Misschien.
Maar kijkers en omkijkers zijn er zo wie zo. Bijna iedereen die de 11 rue Simon-Crubellier bezoekt, kijkt als ze eenmaal buiten zijn, ook weer achterom. Alsof ze denken: “huh, wat was dat nou, wat ik net gezien heb? Waar ben ik nou net geweest….?“. P1040355

DONDERDAG 12.15 – 14.30

Op donderdag rond het middaguur is het spitsuur. In totaal tel ik in 2 uur tijd 31 bezoekers, voornamelijk scholieren. Een verliefd stelletje neemt even plaats. Een man wast er zijn handen. Een fietser loopt dwars door het appartement heen. Even later dansen scholieren op het bureau, terwijl een derde met zijn telefoon voor muziek zorgt.IMG-20181122-WA0000[53580]

Ook de Waternet-inspectie komt donderdag even langs.

ZATERDAG 9 – 11 uur

P1040371Op zaterdagochtend als er nog ochtenddamp hangt en de marktkramen worden opgebouwd, zijn er al vroeg opa’s met kleine jongetjes in het kunstwerk. Toeristen met bepluimde mutsen en een plattegrond in hun handschoenen, nemen foto’s. In twee uur tijd tel ik 12 bezoekers in het huis.

Langslopende kijkers zijn er natuurlijk ook: met stokbroden onder hun arm of bossen bloemen in bruin papier van de markt. De kaasboer, groenteman, notenkraam en bloemenman staan vlak voor het kunstwerk. Ik zie vrouwen met korte jacks en dikke billen eronder. Een joggende vader achter een kinderwagen; het kind klotst een beetje op en neer. P1040388.JPGOm 11.17 uur brengen twee meiden 37 seconden in het appartement door, eentje gaat even op het bureau liggen. Daarna zijn ze 1 minuut en 24 seconden bezig met het nemen van selfies.
 
Als ik even google naar hoelang mensen voor een schilderij in een museum stilstaan, heeft Trouw het over gemiddeld 9 seconden per schilderij, maar de NRC schrijft over 28 seconden, waarvan tegenwoordig veel tijd opgaat aan het maken van selfies bij een kunstwerk.

ZONDAG 15 – 16.30

Op zondagmiddag is het stiller. Een man met zijn handen op zijn rug staat om 15 uur aan de rand van het gras bij de deurmat stil, in gedachten, alsof het een monument is. 
Hey, een huiskamertje!” roept een voorbijflitsende fietster enthousiast.
Maar je mag er niet op zitten“, roept haar compagnon.
Jawel,” roep ik terug: “dat mag!”P1040391.JPG
Er komt toch nog zondagmiddagbezoek in het huis. Spelende kids. En gasten uit het hotelrestaurant met fototoestellen.

In 11 uur tijd, verspreid over deze week, heeft 11 rue Simon-Crubellier 77 bezoekers gehad, ontelbare gluurders door denkbeeldige ramen en diverse fotografeerders. 

DE ZEVENTIENDE DAG

IMG_20181127_133351246[53613]Op de 17e dag na de opening zijn de denkbeeldige ramen van het huis ineens met karton dichtgemaakt.
Een saillant detail, als ik bedenk dat het de kunstenaar Matthew Darbyshire – als Brit – juist was opgevallen dat Nederlanders s’avonds hun gordijnen openlaten en al het interieur voor iedereen zichtbaar is. Iets wat hem inspireerde tot dit kunstwerk.

Onze meubels als openbaar kunstbezit dus.

Even denk ik aan een buurtprotest tegen het zwarte kunstwerk, maar later blijkt het om balorigheid te gaan. 
Scholieren zijn aan de haal gegaan met grote kartonnen meubeldozen van een eigenaar midden op het plein – de adressticker zit er nog op –  die zijn rotzooi onversnipperd en veel te vroeg als grof vuil heeft buitengezet.

De scholieren wilden het huis wat knusser inrichten met kartonnen muren erom heen, zo gaat het verhaal, zodat ze er wat beschutter konden zitten. IMG_20181127_134157480_BURST000_COVER_TOPOok misschien omdat ze dan minder snel nat werden. De waterfontein uit de radiator spettert de huiskamermeubels nat. De scholieren hadden met een steen de radiatorwaterknop geblokkeerd.
Ik snap ze ergens wel. Ik heb deze weken me ook wel afgevraagd of het compromis van kunstwerk-met-fontein wel zo’n geslaagd idee is geweest. Maar ook heb ik gezien, dat juist het speelse water in de wind de opa’s en oma’s met kleinkinderen naar het kunstwerk trekt.
Zonder water was er minder bezoek geweest. Zonder water was het een zwarte lege huiskamer geweest. Waaruit de bewoners zijn vertrokken.

(wordt vervolgd)

  • Met dank aan: Irka voor een foto, Jan en Blanche voor uitleg over het karton en Unice voor haar commentaar.

Dit was deel 5 in een serie blogs over: 11 Rue Simon-Crubellier

Hygiea, Hercules, Perec

Bomvol, volgepropt met meubels, staat het nieuwe kunstwerk 11 rue Simon-Crubellier van Matthew Darbyshire op het Stadionplein. Zoals onze eigen huizen vaak met meubels volstaan. Maar ook: zoals onze huizen zich kunnen vullen met bekende merkartikelen, die ons alom aangeprezen worden. Dat is wat Darbyshire wil laten zien.

Design: it’s all about. Hij laat zien hoe sommigen van ons zich graag omhullen met Grote Namen. Een horloge van Gucci, een tas van Valentino, een citroenpers van Philippe Starck, een bank van Jan des Bouvrie.
Het geeft blijkbaar een meerwaarde aan je huis, je Zijn, je identiteit.

Darbyshire is niet specifiek maatschappijkritisch, maar laat in al zijn kunst zien hoe wij als consumenten met onze alledaagse omgeving omgaan, hoe status en materie met elkaar verbonden lijken.

600_inpage_supporting-us_1
Oak Effect (2012), in de Manchester Art Galery

Zo maakte hij in 2012 een tentoonstelling over het “Eiken-effect”- een installatie vol kunststofmeubels die het idee van eikenhout moeten geven, omdat eikenhout blijkbaar een andere uitstraling, meer status geeft dan kunststof. Kijkt u even 😉 naar uw eigen laminaat op de vloer bijvoorbeeld, uw Ikea-boekenkast of keukenkastdeurtjes…

GRIEKSE GODINNEN: ALS VERKOOPTRUC

Ook laat Darbyshire in zijn werk zien hoe op ons consumentengedrag wordt ingespeeld. Grote namen uit de Klassieke Oudheid worden gebruikt om ons te verleiden.

HS14-MD6621S_i
Hygieia – Goddess of Health, Cleanliness and Sanitation, 2018 Building fragment and Helios Stress Relief Pillules, Zeus Beard Shampoo, Mars Protein Powder, Venus Razors, Trojan Condoms, Apollo Shower Gel, Siren Logo Cup, Aphrodite Hair Dryer, Minerva Toilet Brush, Nike Shower Sandals, Samsonite Toilet Kit, Olympus Bathroom Scale, Athena Poster, Olympus Camera, Selene Red Wine, Victoria Lagers, Apollo Noodles, Aurora Coffee, Eros Paprika Paste, Gaia Detox Tea, Ajax Cleaner, Apollo Scouring Pads, Pegasus Rice and Arion Cat Food Artwork: 231 x 80 x 70 cm / 98 x 31 x 28 in Glass: 233 x 84.8 x 112 cm / 90.6 x 33.4 x 44.1

In een installatie-kunstwerk uit 2018 laat hij zien hoe Hygiea, Griekse Godin van de Gezondheid en andere mythologische Grieken worden “misbruikt” om schoonmaak- of schoonheidsproducten aan te prijzen. Wakker worden met Aurora koffie: (Aurora=Eos) de Godin van de Dageraad. Of: harder lopen op Nike-sportschoenen: Nikè: de Griekse Godin van de Overwinning.

Eerder dit jaar liet ik zien, in mijn blog “De Geur van Zuid”, hoe al die Olympische Grieken de parfumwereld inspireren, maar Darbyshire laat juist zien hoe wij consumenten op die manier ons allerlei spullen laten aansmeren.
De Oude Klassieken: als marketing-tool.

11 rue Simon-Crubellier

Ook de designmeubelen van bekende ontwerpers in het kunstwerk op het Stadionplein moeten we zo zien, begrijp ik eruit en ons laten kijken naar onszelf.
We moeten de titel van zijn kunstwerk niet al te letterlijk nemen, benadrukt Darbyshire. Ondanks de titel, moet je het 3-kamerappartement niet echt zien als een 3D-weergave van de 11 rue Simon-Crubellier uit het boek van Georges Perec (1936-1982), vindt hij.

d009747ed913c3f785f1352fceb65ae6
Eén van de covers van het Franse boek La Vie Mode d’Emploi (Het leven een gebruiksaanwijzing)

Het fictieve woonadres zag hij als abstractie, net als zijn eigen idee voor een appartement zonder muren, als “ghost-architecture“.

Hij ziet zijn kunstwerk eerder als “een soort van gedenkteken” (“oblique memorial“) voor Perec. Een “tribute“, eerbetoon aan de schrijver die hij als een “buitengewoon intellectuele kijker en kunstenaar” omschrijft.
Motivated more by a desire to celebrate the man than illustrate this specific text”.

De link met het boek is: dat de 99 vertrekken aan de Parijse 11 rue Simon-Crubellier in “Een leven een gebruiksaanwijzing” (1978) eveneens volgestouwd staan met spullen. Perec houdt ellenlange interieurbeschrijvingen.
In zijn debuutroman De Dingen (1965) onderzocht Perec al eerder wat materiële spullen met mensen ‘doen’ : ergens bij (willen) horen, bij een sociale groep bijvoorbeeld. Perec in De Dingen: “ze wilden van het leven genieten, maar overal om hen heen werd genot op één lijn gesteld met bezit”.
Eigenlijk had Darbyshire, zegt hij mij, liever dat boek van Perec uit 1965 vernoemd, maar daar kwam geen straatnaam in voor.

INTUITIEF DE ZIEL VERBEELD

Als hij in een interview met kunstjournalist Edo Dijksterhuis echter zegt, dat hij in het algemeen in zijn kunst “de ziel of de aura van een object” probeert te vangen, is dat m.i. exact wat er is gebeurd met zijn verbeelding van het adres 11 Rue Simon-Crubellier – bedoeld of onbedoeld. Geheel intuïtief.
Een verbeelding van het adres dus, geen uitbeelding. Maar hij heeft de ziel van het boek wel getroffen. Ik verwijs naar eerdere blogs hierover in deze serie.

P1040222
11 Rue Simon-Crubellier, Matthew Darbyshire, Stadionplein 2018

In het boek uit 1978 wordt ook duidelijker waaróm Perec zo gefascineerd is door interieurs; graag over kasten, schilderijen, wandtapijten, theebladen e.a. schrijft: die spullen omhullen je ook met herinneringen. Ze lijken bij Perec een manier om grip op zijn omgeving te krijgen.

In de wijkkrant van december 2017 liet ik in mijn column “Onze straat met Zwarte Spullen” over het Stadionplein-kunstwerk al zien hoe interieurs niet alleen over status of consumentisme gaan. Spullen hebben ook een andere functie: de kast van je oma, de souvenir van je vakantie.

“Ik herinner me tante M., zoals het hele Hygieaplein haar noemde, vooral aan haar porseleinen beeldjes in haar zwarte vitrinekast, haar opgedirkte meisjespoppen op de kolossale zwarte glimmende bank, haar tafels vol vazen met kunstbloemen. Van echte bloemen hield ze niet. Vorig jaar is ze overleden.
Als iets verdwijnt, probeer je het vaak met “spullen” bij je te houden. Van tante M. heb ik nu een porseleinen “bidmadammeke” staan: een wijwaterbakje.
Elk interieur, elk huisadres zit zo vol met spullen en verhalen over het verleden”. (Wijkkrant Olympus, december 2017)

darbyshire
Links, origineel. Rechts: Hercules van polystyreen, 2014, Darbyshire

MATERIAAL

Bij Darbyshire is het gehele Stadionplein-interieur van zwart gepatineerd brons. Hij houdt nl. helemaal niet van klassiek brons. Het liefste gebruikt hij eigentijdse materialen. Zo heeft hij een immense sculptuur van Hercules van polystyreen gemaakt, de goedkope kunststof waarvan plastic wegwerp-bekertjes gemaakt zijn.
Maar, ha, zulk materiaal leent zich nou niet bepaald voor een omgevingskunstwerk in de Openbare Ruimte.
Brons is voor hem echt een concessie. Darbyshire over 11 rue Simon-Crubellier:
De betonnen elementen zijn net zo belangrijk en zeker zo mooi voor mij als de bronzen elementen”.
Overigens maakte hij zijn plastic-Hercules om te laten zien hoe Klassieke Kunst in de populaire cultuur vaak misbruikt wordt voor commerciële doeleinden.

P1040218
kopie v Ph. Starck’s Gnome Stool

Droste_Cacao_reclame_plaatje
L’ART POUR l’ART

In zijn kunstwerk laat hij ons tegelijkertijd Kijken naar Kunst. Het is een Droste-cacao-effect, als u begrijpt wat ik bedoel. Je ziet een busje cacao met een vrouwtje daarop, dat een busje in haar hand heeft met een vrouwtje erop.

In het kunstwerk van Darbyshire staan design-tafeltjes van andere kunstenaars, ontwerpers als Philippe Starck (1949) bijvoorbeeld met zijn gnoomtafeltje. U kunt het voor zo’n 250 euro online bestellen, zie ik, op sites die prompt Musthave.nl heten. Hebbedingetjes dus.
Ook kijk je naar een (kopie van een) bronzen sculptuur van de Duits/Franse kunstenaar Hans Arp (1886-1966), op het bureau in de huiskamer. Een kunstwerk in een kunstwerk dus.

P1040210
torso, 1957, Hans Arp. Versie Darbyshire

ORIGINEEL

Darbyshire speelt zo m.i. ook met het postmoderne thema: origineel, kopie en identiteit. Zoals Hygiea een schoonmaakproduct aan de man brengt, eigent Darbyshire zich een woonadres van Perec toe. Maar dan wel: als eerbetoon aan Perec.

Ook Perec laat je trouwens naar kunst kijken in die 99 interieurs op de 11 rue Simon-Crubellier en gaat in al zijn werk in op thema’s als: kopie, origineel en vooral: identiteit.
De Sefardische Joodse naam Perez was na verbanning uit Spanje/Portugal in Polen al in Peretz veranderd en – na emigratie naar Frankrijk – verfranst tot Perec, toen Georges geboren werd. Iets wat hem als kind in de oorlog geholpen heeft. Dat thema Identiteit achtervolgt hem in heel zijn schrijverschap. Mensen wisselen steeds van identiteit bij hem.

P1030929AA
Darbyshires bank van Jan de Bouvrie, incl. kopie vaas van Moobach, tafeltje van Vitra/Noguchi

Zelfs de (kopie van een) fallus-vaas van Jaan Mobach (1933) uit het Centraal Museum uit Utrecht, binnenin Darbyshires kunstwerk, brengt mij een verhaal uit “Het leven een gebruiksaanwijzing” in gedachten over een Utrechtse vaas, die vals was. Perec wijdde er een heel hoofdstuk aan. Hij schreef vaker over vervalsing in de kunst.

Ook komt het Drostecacao-effect bij Perec op de 11 rue Simon-Crubellier voor. De schrijver beschrijft de bewoner Valène, die een schilderij wil maken van een dwarsdoorsnede van het flatgebouw, zoals Perec zelf als schrijver doet.
En hij wijdt uit over een andere bewoner Hutting, die 24 portretten wil schilderen, waarvan de persoon in kwestie in een detail op het schilderij wordt afgebeeld, niet als hoofdonderwerp.
Dat is exact wat Georges Perec doet als schrijver.
In alle woonvertrekken beschrijft ie eigenlijk iets van zichzelf.
Een crypto-jood. Noodgedwongen in het geheim.

© Overname van gedachtengoed uit dit blog s.v.p. met bronvermelding

Een kunstwerk: een gebruiksaanwijzing

Als het kunstwerk van Matthew Darbyshire in Amsterdam binnenkort wordt onthuld, bestaat voor het eerst het Franse woonadres 11 Rue Simon-Crubellier in werkelijkheid. Omgetoverd vanuit fictie, vanuit een roman, naar een monumentaal kunstwerk op het Stadionplein: als betonnen 3-kamerappartement van 65 m² met bronzen meubels in zwart.
Nergens anders ter wereld bestaat de 11 Rue Simon-Crubellier. Een kunstwerk met zo’n naam vraagt om verder onderzoek. Wat is dat voor adres, waarvan Matthew Darbyshire niet de eerste kunstenaar blijkt die zich hiermee bezighoudt?

1040164

11 Rue Simon-Crubellier, Matthew Darbyshire. Stadionplein, 2018

Darbyshire (1977) heeft als Brit het woonadres uit een Franse roman van Georges Perec (1936-1982) als titel gekozen, zegt hij desgevraagd, omdat hij dat wel “romantisch” vond en in het kader van de huidige Brexit-discussie wel een mooi statement. Een Nederlandse titel vond hij wat obligaat. Hoewel ik dat niet meteen begrijp (bij een gemeenteopdracht vanuit Amsterdam) maakt hij zijn kunstwerk er wel veel intrigerender door, veel internationaler. En dat is slim van de Brit.

Australische videokunstenaars gingen in 2004 al op zoek naar de 11 Rue Simon-Crubellier, in een multi-mediaproject rond de straatnaam, om te kijken of een verzonnen adres uit een roman werkelijkheid kan worden, louter omdat je ernaar op zoek gaat. Op You Tube is te zien hoe ze ambtenaren met vragen over het niet-bestaande adres gekmaken.
Art-video 2004, kijk online, deel 2: “Searching for Rue Simon-Crubellier”:

Een Belgische striptekenaar Brecht Evens (1986) heeft in 2015 het flatgebouw geïllustreerd.

1453377443852

La vie Mode d’emploi, Perec par B. Evens. Illustratie Brecht Evens

Een andere kunstenaar, Max Richter (1966), een Britse componist van Duitse oorsprong die dit jaar nog in het Concertgebouw een zgn. ‘Sleep-concert’ gaf van 8 uur lang, wijdde in 2008 een meditatieve compositie aan de Simon-Crubellierstraat.
Muziekvideo “Circles From The Rue Simon-Crubellier”: luister online:

In 2018 nu sleept de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire het fictieve adres in 3 D, als sculptuur, de werkelijkheid in. “Concrete” is het Engelse woord voor beton. De Brit heeft een fictief adres in grijs beton concreet gemaakt. Als Environmental Art, op het Stadionplein. Je kunt erin gaan zitten.

1040079

Op verzoek van bewoners, die een fontein als kunstwerk wilden, zijn er “waterelementen” in opgenomen

11

9200000052067929

In juni 2017 tijdens een studieavond – vol met Perec-ologen – van Atheneum Boekhandel en de Universiteit van Amsterdam werd me voor het eerst duidelijk dat het huisnummer 11 door de Franse schrijver, die het adres verzon, niet zómaar gekozen is.
Georges Perec is bekend met getallensymboliek, vanuit de Joodse kabbala. Cijfers, getallen en wiskundige formules blijken essentieel voor de Frans-Poolse Joodse schrijver (1936-1982).
De hele roman van 511 pagina’s over bewoners in een groot Parijs’ flatgebouw aan de 11 Rue Simon-Crubellier kun je niet loszien van ander werk van Perec. Het woonadres blijkt vooral een metaforisch levensverhaal over hemzelf te zijn.

20180923_123306B

Dr. Manet van Montfrans, gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, verbonden aan de leerstoelgroep Moderne Europese Letterkunde is gepromoveerd op Perec en heeft een zeer leesbaar boekje geschreven, dat als handleiding kan dienen om de roman beter te begrijpen. “George Perec: een gebruiksaanwijzing“.
Een knipoog naar de Nederlandse vertaling “Het leven een gebruiksaanwijzing” van de Franse roman: “La Vie Mode d’emploi”.

s-l300

Perec is in Frankrijk bepaald geen onbekende. Er is notabene een asteroide, een kleine planeet, naar hem vernoemd, dus als wij in Nederland Perec slechts in kleine kring kennen, zegt dat meer over ons dan over de Franse schrijver.
Hij heeft 2 belangrijke Franse literatuurprijzen gewonnen, stond op een Franse postzegel, er zijn straten naar hem vernoemd, een school en verschillende bibliotheken. Hij wordt gezien als een (jong gestorven hedendaags) schrijver, behorend tot de Grote Klassieken.

TRAUMA

Essentieel voor Perec en zijn hele oeuvre blijkt: het op transportstellen naar Auschwitz van zijn moeder op 11 februari 1943. Zij werd tijdens een razzia uit zijn geboortehuis in de Rue Vilin in Parijs gehaald. Ook zijn tante en 2 opa’s “verdwenen” in de oorlog. Perec was zes jaar toen hij in 1942 voor het laatst zijn moeder zag. (Zij bracht hem in een Frans bergdorp in veiligheid). Hij was 4  toen zijn vader sneuvelde in 1940 als soldaat in het Franse leger.
Ik heb geen jeugdherinneringen aan mijn ouders,” zegt hij daarover, in een intrigerend verzonnen boek over zijn jeugd: “W en de Jeugdherinnering”, waarop ik in een volgend blog nog terugkom i.v.m. het Stadionpleinkunstwerk. En: “Mijn moeder heeft geen graf”.

Het thema Verdwijnen, oplossen in het Niets blijkt het kernthema van Perec. Ook op de 11 Rue Simon-Crubellier (volgend blog).

Ook het woonadres uit zijn jeugd aan de Rue Vilin verdwijnt, als na de oorlog de Parijse wijk verpaupert en op de schop gaat voor nieuwbouw. Perec legt dan met pen en papier en ontelbare zwart-wit foto’s een gigantisch gedetailleerd archief aan over die straat uit zijn jeugd. Als een soort stadsarchivaris of socioloog, in een poging het verleden vast te houden. (zie: video onderaan)

Plaque_perec

Bordje “Verdwijning” door Christophe Verdon, als eerbewijs aan Georges Perec. Café de la Mairie, Place Saint-Sulpice Parijs

Ook schrijft hij een belangrijke roman waarin de letter e verdwenen is. Een essentiële letter in het Frans.

Samen met een jeugdherinnering aan een soort Hebreeuwse letter, die lijkt op een J, vormt het boek over de verdwenen letter E en zijn latere boek over zijn jeugd, waarin hij een eiland W verzint, zich tot het woord JEW, zo leer ik uit de fascinerende Franse documentairefilm over Perec. (zie onderaan).

P1030924

11 Rue Simon-Crubellier als mausoleum

Als eerbetoon aan zijn gedeporteerde familie en de verdwenen straat uit zijn jeugd richt Perec dan, in zijn fantasie, een giga flatgebouw op aan de 11 Simon-Crubellier, in zijn magnum opus “Het leven een gebruiksaanwijzing “. Hij propt het boordevol met mensen en met spullen.
Hij laat dat de oudste bewoner van het pand, de schilder Valène, in feite vertellen: een kunstenaar die een dwarsdoorsnede van het flatgebouw wil schilderen (p.239/138)

Hij zou zelf op het schilderij voorkomen, op de manier van de renaissanceschilders, die altijd (-) een heel klein plaatsje voor zichzelf reserveerden (-) alsof hij niet wilde dat het opgemerkt zou worden, alsof het alleen maar een signatuur voor ingewijden moest zijn (-) als een waakzaam spinnetje dat zijn glinsterende web weeft (-)
“alleen al de voorstelling die hij zich maakte van dat opengebroken pand dat de scheuren van zijn verleden (-) toonde (-) maakte op hem de indruk van een grotesk mausoleum (-)”

Het flatgebouw aan de 11 Rue Simon-Crubellier als mausoleum, als praalgraf.
Als je meer weet over Perec , dan herken je in het antiekwinkeltje onderin het flatgebouw de kapperszaak van zijn vermoorde moeder en in de levensverhalen van alle bewoners – én in hun voornamen – stukjes en beetjes van verdwenen familieleden van Perec. Of andere boeken van Perec.
Wat een vernuftig, complex bouwwerk, dat boek!!! Ingewikkeld, taai, maar mateloos intrigerend hoe iemand zijn oorlogstrauma’s verwerkt in literaire fictie. Met een fascinatie voor alledaagse spullen. Alsof je met al die materie het verleden bij je kunt houden.

1040167

42 zwarte objecten

Hoewel het Zwart in het kunstwerk van Matthew Darbyshire nogal opvalt, zegt de Brit mij, niet zozeer uit biografische redenen voor de straatnaam van Perec te hebben gekozen. Meer is hij gefascineerd door de enorme complexiteit van Perec’s boeken, de ingewikkelde structuur ervan en de zelf opgelegde regels en inperkingen.

Zo heeft de schrijver bijvoorbeeld in elk woonvertrek aan de 11 Rue Simon-Crubellier en in elk hoofdstuk 42 objecten willen onderbrengen. Geen 43, wat naar 1943 zou kunnen verwijzen. Maar 42.
Er ontbreekt er bij Perec altijd éèn.
Zoals de letter e ontbrak in een boek, zo beschrijft hij van de 100 woonvertrekken aan de voorkant van het flatgebouw er maar 99.
Of: in 1942 zag Perec zijn moeder voor het laatst.

1040096

Citruspers van Alessi/Philip Starck en mixer van Smeg

Vervolgens tel ik 38 designobjecten in het kunstwerk van Matthew Darbyshire, maar als ik de zwart-bronzen douchekop, 2 kranen en wc-bril in brons meereken, kom ik op 42 zwartbronzen objecten. (Als ik de Imac op het bureau met toetsenbord als 1 reken).
Op deze manier verbindt Darbyshire zich vermoedelijk aan Perec. Meer om formele, dan om biografische redenen.

DARBYSHIRE

Vooral die inperkingen die Perec zichzelf oplegt, intrigeren Darbyshire. Zelf heeft hij het zich ook niet gemakkelijk gemaakt, door zich in zijn interieurkeuze van het Stadionplein-appartement te beperken tot alleen design-meubels, die in Nederlandse musea staan en/of in Nederlandse winkels te koop zijn. Om zich vervolgens vrijwillig te laten inperken door buurtbewoners, die hij liet kiezen uit een selectie van 5, per design-object.
M.a.w.: de kunstenaar koos 5 designbanken uit en Stadionbuurtbewoners kozen daaruit de bank van Jan de Bouvrie. Zijn eigen opsommingslijsten brengt Darbyshire zo in verband met de lijstjes die Perec graag maakt in zijn boeken.

Max Richter benadert met zijn muziek Perec vermoedelijk het meest inhoudelijk. Vooral als ik zie dat Richter ook een compositie heeft geschreven over de Rue Vilin, de straat uit Perec’s jeugd, de straat van de razzia, denk ik:
Als je dàt doet, ja, dan heb je Perec “begrepen”.

In een volgend blog laat ik zien welke metafoor Perec aan zijn 11 Rue Simon-Crubellier gebruikt voor het verdwijnen van zijn Joodse familie.
(wordt vervolgd)

  • Op You Tube zijn er talrijke Franstalige video’s die inzicht geven in de Joodse roots van Perec.
  • In bijgaande film wordt duidelijk hoe zijn jeugd zijn gedetailleerde schrijfstijl, zijn obsessie voor objecten, straten en huizen heeft beïnvloed.

© Overname van gedachtengoed uit deze column: graag met bronvermelding

Dit is deel 2 in een serie van 6 blogs over 11 rue Simon-Crubellier

  1. Zie website van mw. dr. M.A.E. van Montfrans: http://www.manetvanmontfrans.nl/index.php/2018/12/29/de-rue-simon-crubellier-in-amsterdam/
  2. Blog 1 over Zwart in 11 Rue Simon-Crubellier;
    https://marionalgra.wordpress.com/2018/10/17/het-gevoel-van-zwart/
  3. Blog 3 over de boekinhoud: https://marionalgra.wordpress.com/2018/11/04/het-leven-een-puzzel/
  4. Blog 4 over de plaats van dit kunstwerk in het werk van Mathew Darbyshire: https://marionalgra.wordpress.com/2018/11/08/hygiea-hercules-perec/
  5. Blog 5: Stadionbuurters als bezoekers van het kunstwerk 11 rue Simon Crubellier: https://marionalgra.wordpress.com/2018/12/01/anybody-home/
  6. Blog 6: “What’s in a name”, over de Joodse context van 11 rue Simon-Crubellier: https://marionalgra.wordpress.com/2019/05/01/whats-in-a-name/
  7. Zie film van Australische kunstenaars: Searching for 11 Rue Simon-Crubellier, dl 1: https://youtu.be/WE_zH3D0mNM

De ziel van een kroeg

P1030461Je komt bij Bos niet om een vrouw te versieren. Of andersom” zegt een oude klant, in een prachtig verhalenboek over Café Bos aan de Amstelveenseweg. Het boek verscheen in 2012 toen de buurtkroeg 100 jaar bestond. “Om te beginnen komen er niet zo veel dames en ten tweede zijn de klanten er niet op uit om een avontuur te beginnen”. 

P1030436.JPGDe inmiddels 106 jaar oude bruine kroeg gaat deze zomer ter ziele. Buurtgenoot, kinderboekenschrijver Karel Eyckman, vroeger IKON-tv programmamaker en al meer dan 30 jaar stamgast van Bos, typeert – net als anderen in het jubileumboek – het café als zowel (jarenlang) een mannenkroeg als een huiskamer: “Ik ben niet buitengewoon goed in het leggen van contacten, maar je went aan elkaar, je ziet elkaar met enige regelmaat en de alcohol doet simpelweg de rest”.

In de krakersjaren tachtig laat Eyckman meerdere kinderboeken afspelen rondom Bos. In Sneeuwwitje en de zeven krakers verhaalt hij over een pubermeisje dat in de gekraakte buurtbioscoop Victoria aan de Sloterkade woont en in Bos wacht op haar companen:

Doe die kleine meid daar een kleintje pils van mij’.
Het was alweer dezelfde Ome Jan.
“Monika, eentje tegoed van Ome Jan’, zei de jongen achter de bar. Toch knap van zo’n jongen om zo snel haar naam te onthouden.
“Of moet je geen kleintje van me, haha”, grinnikte Ome Jan. “Dat kleintje van Ome Jan gaat er altijd wel in, overal, haha. Niet waar, Kees?”
Altijd die mannen weer.
Monika kon er nu even niet tegen, dat soort ongein.”

P1030452ALCOHOL

Zelf kwam ik er niet als vrouw alleen. Als ik er kwam, sporadisch, dan kwam ik er met mijn hoofdredacteur, ’s avonds laat rond elven, als hij me – na een veel te lange zetterij-sessie of een uit de hand gelopen redactievergadering – als een gentleman per auto naar huis bracht, maar niet nadat we even bij Bos staand aan de bar wat hadden “ingenomen” om de droge werkkelen te smeren. Soms zonder dat er een avondmaaltijd genuttigd was.

“Ze kijken naar ons” zei hij dan wel eens met een grijns, daar aan die mooie oude bruine tap met spiegelwand. Ik had dat niet zo door, dat gekijk, en misschien zei hij het slechts om me te teasen, maar er kwamen wel meer journalisten en schrijvers, en door me zo bewust te maken hoe anderen naar die combi van hoofdredacteur-met-blonde-jonge -redactrice keken, ging ik me dan toch wat ongemakkelijk voelen.

Zijn vrouw, die ook bij ons werkte, vroeg wel ‘es zo’n volgende dag, of ík er dan niet voor kon zorgen, dat haar man wat vroeger naar huis kwam, en eens goed ging eten, zonder al dat bier. Ik vond dat niet zo in mijn functieomschrijving passen eerlijk gezegd, om hem naar huis te sturen. Het was de verantwoordelijkheid van de man zelf, vond ik.

cafebos
Tekening: Peter van Straaten; Café Bos

1912

P1030456

Het café opende in 1912 aan de toenmalige zuidrand van de stad, vlak naast een gevangenis, die daar al sinds 1890 stond, het latere Huis van Bewaring. Zo’n café, ook in de looproute naar het voetbalstadion (1914) op het Stadionplein even verderop en het Olympisch Stadion (1928), maar ook tegenover de Sint-Agneskerk (1919) aan de overkant van de Amstelveenseweg en tegenover de Valeriusstraat, genoemd naar een Nederlandse dichter/componist uit begin 17e eeuw, alwaar de statige Concertgebouwbuurt eigenlijk al begint – trekt een wonderlijk gemêleerd publiek. En die mix van publiek is nou precies altijd de charme van café Bos geweest, begrijp ik uit de verhalen.
P1030453SCHRIJVERS EN TRAMCONDUCTEURS

Café Bos ligt sociologisch precies goed” vertelt schrijver Eyckman, tegenwoordig bewoner in het Olympisch Kwartier, maar jarenlang woonachtig in die Valeriusstraat. Hij wijst op café Welling in de Concertgebouwbuurt met één en hetzelfde soort artistiek Zuid-publiek. Maar bij Bos kwam van alles: de loodgieter uit de Vaartstraat, de pianostemmer, een hoornist van het Concertgebouworkest met hoorn, na afloop van zijn concert; Piet Muizelaar (van het vroegere Revue-duo Snip en Snap) met zijn revuedanseres.

Maar je hebt ook de kant, waar het Huis van Bewaring staat en alles wat daarnaast en achter is gebouwd. Tegenwoordig spreek je niet meer over arbeiders, maar die woonden wel in de straten rond de Zeilstraat. Zo kwamen er bij Bos ook gedetineerden onmiddellijk na hun ontslag uit het Huis van Bewaring.”P1030446Ook tramconducteurs komen er ’s avonds na hun dienst een afzakkertje halen: de kroeg ligt vlakbij een tramremise sinds 1914, waar tramlijnen ’s nachts op honk gaan. Ook kolenboeren vroeger, die bedrijfjes op het Haventerrein achter het Haarlemmermeerstation (1915) hadden. Of ambulancebroeders, vanuit het ambulance-hoofdkantoor naast het Haarlemmermeerstation.

106 JAAR

In 106 jaar heeft de buurtkroeg uiteraard verschillende uitbaters gehad. Jarenlang heette het Café Loos, maar sinds de jaren vijftig kent de buurt de tent als café Bos. Een café waar getoept en zelfs nu nog deels gerookt kan worden; met twee gokkasten en over-de-top kerstversiering in december.

P1030447
De laatste jaren runden Anita en Hans Peter van HeusdenHP – het café. Er kwamen muziekavonden, haringparty’s, samen tv-kijken naar voetbal- en rugbytoernooien. En een pan snert voor de deur, tijdens de Amsterdamse marathon in oktober.

LIEVE AMSTERDAMMER

P1030442Op zondagmiddag 24 juni a.s. is er om 16 uur live-muziek van de “Alsjemaargelukkigband“, een vervroegd afscheidsoptreden, want op 1 augustus, als HP 74 jaar wordt, gaat café Bos dicht.

De investeerders van de huizenpandjes rondom Bos, tevens eigenaars van de kroeg, veranderen de etages boven het café in luxe appartementjes; de WOZ-waarden van de huizen in Zuid vliegen omhoog en nu willen ze ook een ander type etablissement downstairs.

De bruine kroeg in Zuid is uit.

Met de driedubbele huur die daarvoor gevraagd gaat worden, moet er een totaal andere klantenkring komen. Een kring, die geen eigenmerk Bos-jenevertje meer drinkt,  maar tapas wil en oesters of chique cocktails.

HP heeft er geen zin meer in op zijn 73e. Het is: time to move.

Op 5 mei werd hij, op initiatief van zijn klanten, geëerd om als Lieve Amsterdammer aan te schuiven bij het Bevrijdingsdiner onder de bogen van het Rijksmuseum. Wijlen burgemeester Eberhard Van der Laan kwam zelf ook wel eens bij Bos.
Ach,” zegt HP “lieve Amsterdammer…als er zwangere vrouwen in mijn straat zijn, breng ik ze een biefstuk na de bevalling, om aan te sterken. En nu ik met pensioen ga, heb ik nog zoveel liefde over…, ik heb een brief geschreven om clini-clown te worden in het AMC“.
Ook wil hij een roman gaan schrijven en gaan bloggen.

Ik hoor muziek en een rauwe stem uit een autoradio: “The times they are changing“.

  • Gebaseerd o.a. op “100 jaar café Bos” naar een idee van H.P van Heusden, samenstelling eindredactie Dick Walda, 2012
  • Sneeuwwitje en de zeven krakers, Karel Eyckman, 1988
  • http://www.boskastelein.nl

Station FEBO

P1000634
Deze méters diepe roltrap komt uit op het 16,5 m diepgelegen eerste perron van metrostation De Pijp van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Daaronder, 10 m dieper, ligt het volgende perron, op 26,5 m onder NAP. De ene lijn brengt je naar Noord. De andere naar Zuid. De twee perrons liggen boven elkaar en niet naast elkaar. Het station wordt het diepst gelegen metrostation in Nederland

De FEBO-kroketten van het Stadionplein zijn een begrip voor elke Stadionbezoeker in Amsterdam, maar minder bekend is waar die naam Febo van de landelijke snackbarketen vandaan komt. Het is een afkorting van de Ferdinand Bol, een straat in stadsbuurt De Pijp in Zuid, waar de eerste krokettenbakker ooit zou beginnen. Uiteindelijk begon de bakker niet daar, maar aan de Karperweg, bij de Amstelveenseweg in de Stadionbuurt kroketten te bakken in 1942, waar hij de allereerste automatiek opende in 1960.

P1000654

In die Ferdinand Bolstraat was ik deze week, toen ik met een helm op en bouwlaarzen aan, toekomstig metrostation De Pijp bezocht, één van de nieuwe Noord-Zuidlijn-stations. Pas volgend jaar gaat die beruchte peperdure metrolijn rijden, waarmee je in 16 minuten van Amsterdam Noord naar Amsterdam Zuid kunt ondergronds. Ik was er als bezoeker, tijdens een excursie van Bureau Kunststad.

40 JAAR

Deze maand is het 40 jaar geleden, dat de allereerste metro in Amsterdam ging rijden, in oktober 1977. Tegenwoordig heet dit de Oostlijn, die de Bijlmer met het centrum verbindt. Die metro kwam er destijds niet zomaar. Hele huizenblokken moesten ervoor plat in het centrum bij de Nieuwmarkt, en dat pikten bewoners niet.

Die “Nieuwmarktrellen” uit 1975 herinner ik me nog goed. Ik werkte op dat moment bij het fotopersbureau van het Algemeen Nederlands Persbureau ANP en de fotografen kwamen met hele verhalen “thuis”. Ook mijn chef ging ’s avonds uit het werk de Nieuwmarkt op. Om “rellen te schoppen”. Dat vond ik wel vreemd. Het was ook een aparte man, een oorspronkelijke jonkheer, die een beetje omlaag gesukkeld was. De volgende ochtend lag er een gele metrohelm op zijn bureau tegenover mij en toonde hij zijn schaafwonden. De helm lag erbij als zijn veroverde trofee.

P1000621Nu had ik deze week ineens zelf een metrohelm op mijn hoofd in station De Pijp in de Ferdinand Bolstraat. Ook een veiligheidsvestje met fluoriserende strepen en gele rubberlaarzen met metalen neuzen. Met Bureau Kunststad dook ik ondergronds.
Eerder al was ik beneden in de krochten van de Noord-Zuidlijn in 2011 en in 2014 liep ik tijdens de Landelijke Open Dag van de Bouw door de kale metrotunnel onder het IJ door en in 2015 bezocht ik toekomstig metrostation RAI.

PLAKJE HEIPAAL

2014-03-31 17.57.05Bijzonder is dat ik daardoor thuis een “plakje paal” heb, van één van de heipalen die ruim een eeuw onder het Centraal Station heeft gestaan. Amsterdam is, zoals u weet, gebouwd op palen. En het Centraal Station in 1881 dus ook. Kun je nagaan hoe oud die boomstammen zijn, die voor die heipalen gebruikt werden. Ik kijk wel ‘es geïntrigeerd naar de ringen van het “plakje paal”.
Het Centraal Station stond op 8687 houten heipalen. Zo’n 3000 daarvan moesten worden weggehaald, onder het middendeel van het station, wilde er een nieuwe metrotunnel kunnen worden “ingeschoven”. Een giga  technische bouwklus, terwijl het CS tegelijkertijd moest blijven functioneren.

In 2011 lagen die ‘weggesneden’ houten heipalen – nat en wel – in plakjes gezaagd – voor het grijpen. Ze hadden ruim een eeuw in drassige veengrond gestaan. Thuis barstte het plakje open, toen het opdroogde. Ik schreef daarover in mijn eerdere column “Ondergronds Zuidwaarts” op de Face to Face-pagina op Facebook en vertelde waar de ingang van die kale metrotunnel onder het CS mij aan deed denken. Aan de grijsgrauwe hemelpoort van Jeroen Bosch bizar genoeg, een merkwaardige sensatie daar onder de grond.

Uit: “Ondergronds Zuidwaarts”:

“Als ik zaterdag vanuit de Kathedraal, zoals de ondergrondse 15 meter hoge hal onder het CS nu al wordt genoemd, doorloop richting Damrak naar de ingang van de volgende betonnen metrobuis, ziet mijn oog iets wat mij – bizar genoeg – direct, in een split second, doet denken aan Jeroen Bosch, de 15e eeuwse schilder uit Den Bosch.

Was Bosch hier eerder, dan ik? In één van zijn visioenen?

Wat mijn oog ziet, is een tunnelbeeld dat ik qua kleur en vorm ken. Op een drieluik van Bosch met de titel “Visioenen uit het hiernamaals” schilderde Bosch op het linker paneel de ingang van de hemel: we zien zielen opstijgen in een grijze tunnel van licht. Deze tunnel bestaat uit zeven segmenten, die verwijzen naar de zeven planeetsferen tussen aarde en empyreum, de hoogste hemelsfeer, de plek waar in het Middeleeuwse Denken God zich bevindt.
In die 15e eeuw werden die 7 hemelsferen wel vaker geschilderd, maar nooit als tunnel.

Je vraagt je toch af waar Bosch zijn visioenen van de hel en de hemel vandaan had en op basis waarvan hij – ook op al zijn andere schilderijen – zijn zeer merkwaardige fantasie-en kleurrijke schepsels ontwierp. Er zijn boeken over volgeschreven; velen suggereren dat Bosch hallucinerende middelen zou hebben gebruikt, waaruit dit soort beelden zijn voortgekomen.

Wonderlijk toevallig eigenlijk dat de ondergrondse hal onder het CS ook nog eens, als bijnaam, de Kathedraal heet, schiet het thuis door me heen: een kathedraal, zo pal voor de ronde tunnel naar het Damrak: Bosch’ tunnel op het paneel “Het opstijgen naar de Hoogste Hemel”. 

STATION DE PIJP

P1000660

Om te voorkomen dat er voor de Noord-Zuidlijn in de smalle Ferdinand Bolstraat in de Pijp (de wijk heet niet voor niets zo!) ook weer huizenblokken plat moesten en er opnieuw metrorellen zouden uitbreken, zoals bij de Nieuwmarkt 42 jaar geleden, is station De Pijp een héel diep station geworden, met twee metrosporen boven elkaar i.p.v. twee sporen naast elkaar.

P1000644.JPG

Métersdiepe roltrappen zijn het zo geworden. Er is 75.000 kuub zand uitgegraven. “Als je alle vrachtwagens vol zand op een rij zet, die hier zijn weggereden, dan heb je een file van hier tot aan Hoek van Holland, zo hebben wij berekend ”, zegt Richard Koenders, projectbegeleider van de afdeling Communicatie van de Noord-Zuid lijn. Het pure zand, dat van 26 meter diepte kwam, en schoon was, is gebruikt om de Volgermeerpolder – een voormalige vuilstortplaats – in Noord- Holland, op te spuiten tot een nieuw ontwikkeld natuurgebied.

KUNST

P1000658
De meterslange wand van metrohal De Pijp is versierd met een gedigitaliseerde aquarel van Amalia Pica (1978). “De kleuren van de Pijp sijpelen door” schrijft de Noord-Zuidlijn online

Het metrostation is met een gedigitaliseerde aquarel van de Argentijnse kunstenares Amalia Pica opgeleukt en moet het samensmelten voorstellen van de diverse culturen en kleuren die de Amsterdamse Pijp en de Albert Cuypmarkt kenmerken. De vlaggetjes op de muur bij de metro-ingang horen ook bij het kunstwerk.

P1000661
Kunst! De vlaggetjes moeten de multi-culturaliteit van de Albert Cuypmarkt symboliseren. Onderdeel van de gedigitaliseerde muur-aquarel van Amalia Pica (1978) in station De Pijp

Als je het niet weet, loop je aan die aquarelkunst voorbij. Nu waren wij als excursiegroep de enige bezoekers. Straks lopen er naar verwachting zo’n 18.000 bezoekers per dag langs, op station De Pijp in de Ferdinand Bol.
U kunt het zelf zien vanaf 22 juli 2018.

Eerdere publicaties over de NZ-lijn op Face to Face:

  1. column “Ondergronds Zuidwaarts”, 2014: https://www.facebook.com/notes/face-to-face-column-olympisch-kwartier/column-ondergronds-zuidwaarts/254909164692702/
  2. Filmpje, wandeling metrotunnel CS:
    https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=256317917885160&id=238292489687703
  3. Bezoek station Europaplein bij de RAI in 2015:
    https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=397529070430710&id=238292489687703
  4. Ondergronds concert, 2017: de “Unvollendete” van Schubert in metrohal De Kathedraal, Centraal Station: https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=657168447800103&id=238292489687703

 

 

Nimf met straatverleden

14223190560_3a1e6c93f2_b
Euterpe: scuptuur van Pierre Francois Berruer, 1780, Grandtheater Bordeaux. Foto 2014, Valery Hugotte

Ze was een nimf. Euterpe. Muze van de poëzie. En de beschermgodin van menig koor of muziekvereniging. De Oude Grieken droegen onder begeleiding van muziek hun gedichten voor. Vandaar dat Euterpe als sculptuur meestal wordt uitgebeeld met een muziekinstrument.
Na 1945 was haar frivole, poëtische naam voor een straatnaam in Amsterdam-Zuid niet langer gepast, de straat was haar blije karakter volkomen kwijt. Er was teveel gebeurd. De naam was besmet. Uit haar midden, vanaf een centraal pleintje, waren ruim 18.000 joden afgevoerd. Euterpe verdween.  Ze is nu een nimf met een straatverleden. En heet Gerrit van der Veen.

Euterpe
Een treurende Euterpe, op het graf van de Frans/Poolse componist Frederic Chopin, Père Lachaise Cemetery, Paris. Foto: Panoramio, 2011, Martin van den Bogaerdt

Apollo, god van de muziek en Euterpe, Detail van een sculptuur uit 1844 van de Deense beeldhouwer Bertel Thorvaldsen The Dance of the Muses on Helicon : Foto: Frank M. Rafik, Berlijn.

Euterpe hoorde met haar muzische karakter bij de Beethovenstraat, het Bachplein, de Schubert- en Chopinstraat en de grote laan in Zuid, die naar de Griekse God van de muziek, Apollo, is vernoemd. Euterpe verbond als dwarsstraat de schildersbuurt van Michelangelo, Rubens en Jan van Eyck, met de musici. Zoals het een heuse Godin van de Kunsten betaamt.

Op die Apollolaan, even achter de vroegere Euterpestraat, wordt nog jaarlijks op 4 mei de oorlog herdacht. Het is voor mij een vertrouwde plek. Als kind liep ik aan de hand van mijn vader met de buurman, en soms de buurjongens, mee ernaar toe. En nog kom ik er. Het is altijd een plechtig moment, die stilte, te midden van de vele mensen met een keppeltje op. Zuid heeft sinds de jaren ’30 altijd veel Joden gehuisvest. Het indrukwekkendst vond ik misschien wel, toen in 1995 Simon Wiesenthal (1908-2005) er sprak, de Joodse Oostenrijker die wereldwijd vele Nazi-oorlogmisdadigers opspoorde. “Als haat en bruutheid een verbintenis aangaan met de technologie, is het gevolg een catastrofe”, waarschuwde hij. Na afloop van de herdenking zag ik hem hotel ‘ApolloFirst’ ingaan. Zou hij wel hebben geweten wat voor plek dat was?

’40-’45

Als over iemand in de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam werd gezegd: “hij is naar de Euterpe” dan beloofde dat weinig goeds.
Schrijver Heere Heeresma (1932-2011) woonde toen in de Stadionbuurt en beschrijft in ‘Een jongen uit plan Zuid’ en ‘Kaddish voor een buurt’ hoe hun onderduiker Johan werd opgepakt op de Marathonweg en werd afgevoerd “naar de Euterpestrasse”. De straat had in de volksmond gewoon een Duitse bijnaam gekregen!
Verschillende panden en scholen in Zuid waren door de nazi’s gevorderd. In de Euterpestraat twee scholen tegenover elkaar, de meisjes-HBS en de Christelijke HBS. Daar was de Duitse Staatsinlichtingendienst ingetrokken, de Sicherheitsdienst, de SD. En ook de Geheime StaatsPolizei, de Gestapo.

Duitse soldaten op de brug voor het Amsterdams Lyceum, bij de Apollolaan
Grüne Polizei bij Amsterdams Lyceum, bij Apollolaan.

Beneden in de kelders van de HBS werden verzetsmensen en joodse Amsterdammers gemarteld en verhoord. Heeresma: “Ik heb hem horen jammeren, huilen, genade smeken, alles”  ( uit ‘Kaddish voor een buurt’).

c14203d6d17c4229e214fcc786deb966
Sicherheitsdienst in de meisjes-HBS in de Euterpestraat

Behalve de SD en de Gestapo was er ook de ”Zentralstelle für jüdische Auswanderung” gevestigd (letterlijk vertaald ‘Centraal bureau voor Joodse emigratie’) die de deportatie van Joden uit heel Nederland voorbereidde.
Vanaf het pleintje midden in de straat, het Adama van Scheltemaplein, werden tussen 1941 en 1943 ruim 18.000 joden verzameld en afgevoerd. Via de halte van tram 24 in de Beethovenstraat naar het Centraal Station, Westerbork en concentratiekampen in Polen en Duitsland.

20170428_121655_resized
Duitse militairen op Valeriusplein, bij no. 38-40. Foto: J.W.Hofman

Vanuit het hoofdkwartier in de Euterpestraat regelden de nazi’s de organisatie en deportatie van in totaal 70.000 Amsterdamse Joden. Het is anno nu bijna niet voor te stellen. “Die Fahne hoch, die Reihen festgeschlossen” klonk het op de Stadionweg uit kelen van marcherende Wehrmachtsoldaten, schrijft Heeresma. De Duitse Kriegsmarine had een kantoor op de hoek Olympiakade. En over die kade hing volgens Heeresma eind ’44-’45 heel lang een spandoek: “V = Victorie, want Duitschland wint op alle fronten“.

Toen er in Amsterdam geen Joden meer te deporteren vielen na 1943 richtte de SD in de Euterpestraat zijn activiteiten op het ontmantelen van het Nederlandse Ondergrondse Verzet. De ‘ondergrondse’ besloot toen een centrale SD-officier te liquideren. Als repressaille werden daarop 29 Nederlanders op de Apollolaan, hoek Beethovenstraat door de nazi’s geliquideerd. Daar, waar nu jaarlijks de oorlog wordt herdacht.

Euterpe zag het allemaal.

En Euterpe verdween.

Direct na de oorlog, al in 1945, werd haar naam veranderd in Gerrit van de Veenstraat, zoals ook de middelbare school nu Gerrit van der Veen College heet.
Gerrit van der Veen (1902-1944) was een Amsterdamse verzetsman en beeldhouwer, die betrokken was bij de overval op het Amsterdamse Bevolkingsregister in Amsterdam-Oost. Zoals bekend, wilde het Verzet de administratieve persoonsgegevens van het Bevolkingsregister vernietigen, om het de Duitsers moeilijker te maken mensen te deporteren of op te pakken. Anno nu vind je bij Artis van deze verzetsactie een klein herdenkingsmonument. Van der Veen werd in 1944 in de duinen bij Overveen gefusilleerd, waar een jaar later ook de communistische verzetsvrouw Hannie Schaft werd gefusilleerd, het Meisje met het Rode Haar. Zij zat vlak voor haar executie nog geïnterneerd in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Zuid, lees ik.

Van de hand van Gerrit van der Veen, de beeldhouwer, staat sinds 1946 een standbeeld op de Churchilllaan in Zuid, gemaakt in 1939. Het verbeeldt Wilhelmina Drucker, de feministische voorvechtster (net als Aletta Jacobs) voor het Vrouwenkiesrecht, uit de Eerste feministische Golf (1870-1920). Haar naam kennen we beter via Dolle Mina, uit de Tweede feministische Golf (1960-1985).

Wilhelmina Drucker (1847-1925), Churchilllaan, beeldhouwer Gerrit van de Veen (1902-1944)

De vroegere Euterpestraat zit nu vol met gedenkstenen.

Er zijn boeken over haar geschreven, zoals ‘Zwijgen over de Euterpestraat’ van Jan Hopman in 2012, hoe “op het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in 1944 verraad en verzet hand in hand gingen”.
In de boeken ‘De laatste huzaar’ van oud-militair en verzetsman Tonny van Renterghem en ‘De Koningin van Plan Zuid’ van Frank van Kolfschooten komt het luchtbombardement van de Engelsen met de Royal Air Force op de Euterpestraat ter sprake, het niet al te precies uitgevoerde luchtbombardement, eind 1944. Het SD-hoofdkwartier was het doelwit maar werd maar ten dele geraakt; de woonwijk des te meer, er vielen 69 doden, waaronder vier SD’ers. Toch was de schade aan de twee scholen zodanig dat de SD uit de Euterpestraat vertrok: naar hotel ‘Apollofirst’ op de Apollolaan.

Ik zou een weemoedige Chopin Nocturne met fluit onder deze column willen zetten. Om Euterpe als muzische nimf te gedenken. Die muziek zet ik op mijn Facebook-columnpagina onder de fotoreportage als video. Maar poëzie kan ik er niet van maken: zeer recent heeft iemand naast mijn lift iets over “Joden” op de muur gekalkt. Dit had ook de openingszin van deze column kunnen zijn…

DSC06165DSC06163DSC06149Plaquette_voor_Ox_en_Ploeger_in_de_Gerrit_van_der_Veenstraat_te_AmsterdamDSC06160

Zie:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fontein wordt kraantje

En daar stond ie dan in het buurtzaaltje op de informatieavond in de bibliotheek: de jonge eigentijdse Britse kunstenaar op rode gympen met neergeslagen ogen, bijna schuchter: ”ik voel me in het defensief gedreven, voel veel spanning in de zaal”, zei hij in het Engels. Er liepen buurtbewoners weg.

39076d72495d5b88923542b2ee69925f
Matthew Darbyshire, environmental artist, 1977. Ontwerper van het kunstobject Stadionplein 2017

Matthew Darbyshire, uitgekozen door Stadsdeel Zuid voor het toekomstige kunstwerk op het Stadionplein, kwam zijn ontwerp uitleggen. Het wordt een Huiskamer van beton en brons, die op de overgang van plantsoen en plein komt te staan bij de Van Tuyll van Serooskerkenweg. Het krijgt de moeilijk in de volksmond liggende titel mee: “11 Rue Simon-Crubellier”. Ook de voorzitter van Stadsdeel Zuid, Sebastiaan Capel, tevens portefeuillehouder Kunst, had al moeite met het uitspreken ervan.

ENVIRONMENTAL ART

Darbyshire (1977) is een jonge vertegenwoordiger van de Environmental Art, omgevingskunst, een kunststroming die eind jaren ’60, beginjaren 70 begon, waarbij kunst en ruimte in elkaar overvloeien. Een bekende kunstenaar in dit genre is Claes Oldenburg, maar ook Edward Kienholz met zijn klokkencafe The Beanery in de vaste collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam is een mooi voorbeeld. Je kunt als kijker zijn eetcafe inlopen.

Darbyshire heeft zich, al lopend door de Stadionbuurt, voor zijn idee en concept van een betonnen kamerappartement laten inspireren door de interieurs van diverse woningen in de omgeving. Hij werkt zowel in London als in Cambridge als in Amsterdam voor kunst in de Openbare Ruimte. Het summum van omgevingskunst vond hij eigenlijk een platbodem in de Stadionkade, langs de wal voor het Spinozalyceum, waarop diverse stoelen zijn bevestigd. Dat bracht hem op zijn idee, vertelde hij.

1_perspective
Ontwerp voor kunstobject Stadionplein, Matthew Darbyshire (1977)

Omdat een woonhuis de enige omgeving is waarin burgers zichzelf kunnen organiseren, aldus Darbyshire, de enige plek waar burgers vrij zijn van toezicht op openbare ruimte en vrij van alle regels, daarom vindt hij dat “het huis het meest accurate uitkijkpunt biedt om te zien en te beoordelen hoe onze medeburgers hun Vrije Wil uiten”.

KRITIEK

Hij bedoelt het goed, de kunstenaar: wil heel democratisch buurtbewoners mee laten denken over de inrichting van zijn kunstontwerp. Kon hij het helpen dat Stadsdeel Zuid zijn ontwerp uitgekozen had, terwijl bewoners niet allemaal enthousiast zijn?

Er waren zo’n 11 buurtbewoners op de informatieavond in de bibliotheek. Een deel ervan liet merken het idee van die huiskamer als kunstwerk helemaal niks te vinden, dus hoezo meedenken over de inrichting en het interieur van de betonnen huiskamer? Heb je eindelijk een groen plantsoen in de buurt, komt er een appartement als kunstwerk met bronzen meubels en andere interieurobjecten. Alsof er al niet genoeg architectuur staat!

In het zaaltje beriepen de sceptische buurtbewoners zich op eerdere info-avonden: dat er een mooie monumentale fontein zou komen op het Stadionplein, zoals bewoners graag wilden; dat het voor de Klankbordwerkgroep van bewoners, die de kunstcommissie van Stadsdeel Zuid zou adviseren, een raadsel was hoe de afgelopen jaren de selectieprocedure van kunstenaar en kunstwerk tot stand was gekomen. De deelraad kwam en de deelraad ging: een ondoorzichtig  besluitvormingsproces.

De Klankbordgroep (een “pre-adviescommissie” in Stadsdeeltermen) had slechts een paar keer mee mogen denken. Niet mee mogen stemmen. Het is de Adviescommissie voor de Kunst (ACK) van het Stadsdeel die op basis van professionaliteit het dagelijks bestuur van Stadsdeel Zuid over kunst op het Stadionplein moet adviseren.
De advisering van de ACK is gericht op het genereren van artistieke kwaliteit die recht doet aan de karakteristieken van Zuid.” Zo meldt de Stadsdeelwebsite. En daar gingen bewoners niet over natuurlijk, over die artistieke kwaliteit. Slechts professionals. ”Voor zinvolle relaties tussen kunst en het stedelijke leven in Zuid is ook een goede artistiek-inhoudelijke analyse en begeleiding nodig”, lees ik. Waarvan akte.
De klankbordgroep van bewoners heeft het hele Idee van een betonnen appartement als kunstobject nooit zien zitten.

DEMOCRATIE

En zo is het Stadsdeel tot keuzes en besluiten gekomen. Zonder budget voor een kunstwerk, maar wel met een budget voor een fontein, werden fondsen gezocht ter financiering, bij o.a. het Amsterdamse Fonds voor de Kunst (AFK) en Bouwfonds Cultuurfonds, maar ook bij Bouwinvest, de financieerder van veel nieuwbouw rond het Stadion . Het Program van Eisen zei, dat er ”ïets” van water in het kunstwerk moest worden opgenomen. Een “waterelement”.

De projectmanager van de gemeente voor het Stadionplein, Ingrid van Leeningen, knikte aanhoudend instemmend bij het verhaal van de kunstenaar. Het Stadsdeel is enthousiast over het kamerontwerp als Idee. De kunsttaal van Darbyshire vond de Adviescommissie voor de Kunst “volstrekt uniek”, de commissie was vooral gecharmeerd van het idee, dat de kunstenaar de inrichting wilde laten meebepalen door buurtbewoners.

De kunstenaar gaf blijk van zijn democratische intenties: zijn intellectuele concept van een denkbeeldig appartement (gebaseerd op de Franse roman  “Het leven een gebruiksaanwijzing” van George Perec dat zich afspeelt in een Parijs’ appartement aan een fictieve straat 11 Rue Simon-Crubellier) kan interactief door bewoners worden ingevuld en ingericht op een website. Welk designtafeltje had u erin willen hebben? Welk ontwerp wasmachine, uit welk jaar? Welke mixer, citroenpers, koelkast?

De kunstenaar wil graag iconische objecten van de laatste 100 jaar gerepresenteerd zien. En struint de archieven van diverse Nederlandse musea af om een catalogus samentestellen waaruit men objecten kan kiezen.
Hoe leuk kan het niet zijn, benadrukte stadsdeelvoorzitter Sebastiaan Capel, als je als bewoner kunt zeggen later dat die bronzen koffiemolen daar in de hoek van het appartement door jou is aangedragen in het kunstontwerp. Vanaf half oktober kan de catalogus bekeken worden op http://www.amsterdam.nl/stadionplein

20160923_154724
Bewoners laten zich inspireren op Art Zuid, in de hoop mee te kunnen praten over het kunstwerk Stadionplein, 2011

Ooit liep ik als bewoner mee over Art Zuid, een rondleiding ter inspiratie, zodat we  –  aldus het stadsdeel – dan beter met de Adviescommissie voor de Kunst zouden kunnen meedenken over het Stadionplein. Toen ik doorkreeg dat je als pre-adviescommissie niet kon meestemmen en de gemeente de kunstenaar zou kiezen en ook het ontwerp, heb ik niet meer gesolliciteerd voor de Klankbordgroep.

Stiekem had ik van iets monumentaals gedroomd: van een hoge open slanke vlam in lichtbruin brons – een verwijzing naar het historische karakter van het plein, waar het Olympisch Vuur in 1928 voor het eerst sinds de Griekse Oudheid was ontstoken. Maar soms zijn dromen niet conceptueel genoeg. Het is de tijd van de Environmental Art en de Conceptuele Kunst.

hs9-md4336s-448x600
Hercules, Matthew Darbyshire

Wel zag ik dat onze Britse Matthew Darbyshire nog in 2014 een forse sculptuur van een Hercules had tentoongesteld in Cambridge, een voorbeeld van beeldhouwkunst die in de Griekse Goden- en Heldenbuurt rond het Olympisch Stadion (met een heuse Herculesstraat) ook niet misstaan zou hebben. Toch?

FONTEIN

Het hele idee van een fontein is inmiddels van de baan: ja, in het appartement moet “iets van water” te zien zijn, “een waterelement”, zoals het Programma van Eisen zei, en zoals de opdracht van de gemeente aan de kunstenaar nu luidt; het is een schraal en slap aftreksel van het idee van een monumentale fontein, zoals de buurt voor ogen had.
Maar wat voor waterstraal moet het worden dan? Ziet u het voor u: een spuitende douchekop, een overlopende wc-pot, een op hol geslagen wasmachine, een lopend waterkraantje: hoe spectaculair kan het zijn, zo’n waterelement?

Als het aan de kunstenaar ligt: heel spectaculair, met ferme waterstralen in het appartement. Zijn ogen gingen ervan glimmen. Als het aan de gemeente ligt: drupt er geloof ik straks hoogstens een waterkraantje. Maar u kunt wel als buurtbewoners binnenin het kunstwerk straks uw krantje gaan lezen of met elkaar een kaartje leggen op een in brons gegoten – door uzelf uitgekozen – designtafeltje. Dat dan weer wel.
Als u dat al van plan was.

Wilt u meedenken over de huiskamerinrichting van het nieuwe kunstwerk: meldt u dan aan bij t.banen@amsterdam.nl van de Gemeente.
En let op de gemeentekrant, editie Zuid, in uw brievenbus.

Zie: https://marionalgra.wordpress.com/2018/10/27/een-kunstwerk-een-gebruiksaanwijzing/