Buurvrouw mevrouw

Op mijn Facebook-blogpagina verspreid ik deze dagen het volgende In Memoriam om mensen te attenderen op een begrafenis op 5 september. Voor de niet-Facebookers onder mijn meelezende buurtgenoten, plaats ik het ook hier:

In Memoriam
“DAAAAG BUURVROUW MEVROUW”!

Er is een buurtgenote doodgegaan, min of meer in stilte. Ooit schreef ze mij: “Ben in de Jordaan geboren, we gingen verhuizen naar Zuid bij het Concertgebouw., toen ik een jaar of 2 was”. Haar moeder leerde haar dat je in Zuid tegen de buren, “dag mevrouw” moest zeggen: “en geen buurvrouw. Dus bij de eerste ontmoeting zei ik heel braaf: “daaag buurvrouw mevrouw!”.

Astrid Laarman (1961-2t022) – shaggy in haar hand, kort geknipt koppie haar, zware stem, altijd in de mood voor een grap, die niet iedereen meteen begreep – heeft jarenlang als medewerker van de Openbare Bibliotheek (OBA) buurtgerichte initiatieven willen ontplooien binnen haar werkkring.

OLYMPISCHE SALON

Zo organiseerde zij een voorleesavond in 2018 met borrel waarbij buurtbewoner/schrijver #FerryWieringa een prachtig verhaal over “Jan de bloemenman’ voorlas, over diens bloemenkraam op het Stadionplein die door de renovatie van het plein werd weggedrukt.
Nog mooier was de serie lezingen die Astrid in de bibliotheek organiseerde over de vijf kleuren van de Olympische ringen, rood, blauw, geel, groen en zwart. De Olympische salon, noemde ze het, waarvoor Astrid kunstenares #MarianneRoodenburg had benaderd. Een onvergetelijke serie over kleur in de kunst.

Astrid was bezorgd over de ontwikkelingen bij de lokale buurtbibliotheken. Voor veel ideeën die Astrid opperde, was geen geld meer binnen de bibliotheek, wat haar zeer veel verdriet deed. Nadat de buurtbieb in het Olympisch Kwartier steeds verder inkromp, werkte Astrid vooral in de lokale bieb van Buitenveldert en op het Roelof Hartplein.
Het ging haar in haar programmering vooral om de mensen uit de buurt een leuk uurtje te bezorgen: “het gaat me niet eens om de harp op de “Buitenveldertse ochtend” maar meer hoe ontroerd men raakt door een lezing of muziek, meer het gevoel van saamhorigheid, daar doe ik het voor” schreef ze.

Haar laatste post in juni op haar facebook is wat dat betreft veelzeggend. Ze plaatste een foto van jongeren die ouderen in een rolstoel in de branding op het strand laten pootje baden. Dolle pret. Wat haar betreft, de beste foto van het jaar, schreef Astrid erbij.

De spanningen rond de onduidelijke en onzekere toekomst van haar bibliotheekfunctie en de sluiting in coronatijd van de bibliotheek deden haar geen goed. Thuis vereenzaamde ze, raakte in een isolement. Ze miste het contact met haar bibliotheekklanten.

Het ziet ernaar uit dat diverse instanties in Zuid, waar Astrid om hulp vroeg, haar niet genoeg hebben kunnen helpen. Wachtlijsten en het niet goed inschatten van de ernst van haar situatie, kunnen de bottleneck zijn geweest. Op de burensite Nextdoor.nl werd begin augustus hierover een noodkreet geuit, door een buurvrouw. De gemeente heeft de zaak in onderzoek.

BLOEMEN

Ze wordt op 5 september begraven om 14.30 uur op de Nieuwe Ooster begraafplaats. Buurtgenoten die haar misschien van de balie uit de bibliotheek kennen, zijn hierbij hartelijk uitgenodigd om haar een passend afscheid te komen geven. Of bloemen te sturen.
Astrid Laarman is 61 jaar geworden. “Daaaag, buurvrouw mevrouw”.

De ooievaarssteeg

Ik ben niet thuis geboren. Maar in de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen, een opleidingsinstituut in de Camperstraat in Amsterdam-Oost. Mijn ouders woonden op zolderkamers in de Argonautenstraat in de Amsterdamse Stadionbuurt in Zuid, met mijn zusje die toen 2,5 jaar was. Het was er véel te klein voor een thuisbevalling.

Er is iets “wonderlijks” met dat gebouw, waar ik op aarde kwam.

Kraamzaal in de Kweekschool voor Voedvrouwen

Niet alleen ben ik er als Marion geboren, maar is mijn grootmoeder Margaretha op deze school ooit tot vroedvrouw opgeleid; ze heeft er als leerling-vroedvrouw ook intern gewoond, van 1909 tot 1911.

Sterker nog: anno nu woont mijn achternicht Bernke er, in één van de elf groepswoningen van woningbouwvereniging De Kei; 35 jaar is ze, dichter van beroep en kunstenares; ze woont in hetzelfde gebouw als haar overgrootmoeder.

Ik zie het als een magische samenloop van omstandigheden, hoe op die ene Amsterdamse locatie drie vrouwen uit de Algra’s-stam – verspreid over een eeuw – worden verenigd met elkaar. Met mijn barende moeder Anna als vierde vrouw. Een wonderlijke plek.

ingang van de vroegere Kweekschool, waar nu zo’n 100 mensen wonen

De rijkskweekschool is als historisch pand behouden, dankzij de acties van de Amsterdamse kraakbeweging in de jaren 80. Het is nu een Rijksmonument, waar zo’n 100 mensen wonen in sociale huurappartementen, in 11 woongroepen, een paar kleine zelfstandige woningen.

Sommigen wonen er bij gebrek aan een eigen etagewoning, anderen wonen er uit overtuiging, omdat men wil delen. Niet iedereen ambieert een eigen privéhuis, een eigen wasmachine, een eigen tuin. De kraamzalen, leslokalen en opslagruimtes van het vroegere opleidingsinstituut zijn opgedeeld in kleine appartementen met voor elke groep een gemeenschappelijke keuken.

Het monumentale gebouw uit 1900 van rijksbouwmeester Jacobus Lokhorst (1844-1906), een protégé van de beroemde architect Pierre Cuypers, die o.a. het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam neerzette, werd zo van sloop behouden.

Een opleidingsinstituut met kliniek, waar gerekend vanaf het begin in 1861 zo’n 1200 vroedvrouwen zijn opgeleid en zo’n 41.000 geboorten hebben plaatsgevonden.

DE JOFFER

Margaretha Jacoba Brandligt (1888-1958), voor haar huwelijk in 1917 met Durk Algra

De joffer loopt met den soldaat” fluisterde men op de Veluwe, toen mijn opa Durk (1891-1970) in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) daar gemobiliseerd was als dienstplichtig soldaat en als begin twintiger in zijn soldatenkloffie op zoek ging naar het adres waar hij eerder – als colporteur voor een kleine krant – voor een paar nachten een kamer had gehuurd van de weduwe Brandligt. De dochter van de weduwe – Margaretha Jacoba – was iets ouder dan Durk, en een zelfstandige vrouw, vroedvrouw van beroep. En het werd wat tussen die twee. Tussen de kostganger en de dochter van de kamerverhuurster.

Het beroep van vroedvrouw, dat sinds mensenheugenis bestaat, was van staatswege uit vanaf 1861 voor het eerst geprofessionaliseerd. Er was een tweejarige rijksopleiding ontstaan in Amsterdam op de Prinsengracht, een Rijkskweekschool, waar voor het eerst formeel en gestandaardiseerd medische kennis werd overgedragen aan vrouwen, die er als leerling intern moesten wonen. In 1900 kwam er een nieuw gebouw in de Camperstraat.

Plaquette in de hal van de Camperstraat: ” In het jaar der kroning van Hare majesteit Wilhelmina werd aangevangen met den bouw van deze Rijkskweekschool voor vroedvrouwen, welke in het jaar 1900 werd voltooid”.

Margaretha heeft daar gewoond vanaf 26 augustus 1909, ze was leerling no. 179, die zomer, en nog 20 jaar. Voorafgaand aan haar huwelijk in 1917 met Durk Algra – (boekhandelaar inmiddels, later de in Zwolle en het Oosten van het land bekende koffiebrander) – heeft ze diverse jaren als vroedvrouw gewerkt. In juli 1911 vertrok ze vanuit de Camperstraat na haar opleiding voor een half jaar naar Hoorn, en in november 1911 naar Bergentheim, gemeente Hardenberg in Overijssel, waar haar moeder voor de kost kamers verhuurde. Zo kwam ze Durk Algra tegen. Zij was 28 toen ze trouwde, hij 25 jaar. Ook in het begin van haar huwelijk bleef ze nog enige tijd als vroedvrouw werken.

Mijn grootmoeder Margaretha

OOIEVAARSSTEEG

Lollige Amsterdamse trambestuurders riepen vroeger, aan de overkant van de Amstel, in de Ruyschstraat waar de tram stopte bij de Camperstraat, op de tramhalte “De Ooievaarssteeg!” om. Zo heb ik me laten vertellen.
De Camperstraat loopt namelijk twee kanten op vanaf de tramhalte. Het was er een broedplaats voor nieuwgeborenen. Want parallel aan de Kweekschool van het Rijk, die tevens als kraamkliniek fungeerde, zat vanaf 1925 aan de overkant ook de kraamkliniek van het katholieke Onze Lieve Vrouwen Gasthuis, het St Anna Paviljoen in de Eerste Oosterparkstraat. De kraamafdeling was vernoemd naar Anna, de katholieke beschermheilige en patrones van vrouwen. In de jaren 90 is dat oude gebouw door nieuwbouw van het huidige OLVG-ziekenhuis vervangen. Terwijl het pand van architect Lokhorst behouden is.

Camperstraat, inmiddels Rijksmonument

Mijn 35-jarige achternicht Bernke, die hier woont, smelt deze zomerdagen bijkans onder het puntige dak op de zolder in dit historische pand. De raampjes van haar entre-sol kunnen niet open, het waren ooit opslagruimten.

op het dakterras toon ik aan mijn achternicht Bernke Klein Zandvoort mijn geboortebewijs: Camperstraat 17
Geboren: Camperstraat 17, om 01.32 uur ’s nachts

KLEIN BEHUISD

“God verrijkte ons leven met een dochter en zusje” schrijven mijn ouders op het geboortekaartje. Tijdelijk adres: Camperstraat 17

Vanwege de kleine behuizing op zolder in de Argonautenstraat was mijn zusje Jeannette destijds geboren in – wat op de Koninginneweg bij het Vondelpark in – Amsterdam-Zuid het Luthers Diaconessen Ziekenhuis heette, op de hoek met de Van Eeghenstraat. Ook al zo’n monumentaal historisch pand. Het was in 1898 aangekocht door de Lutherse Diaconessen – een soort niet-katholieke nonnen zeg maar – die ook intern woonden in het “moederhuis” bij het ziekenhuis, met Lutherse kerkkapel ernaast, en een predikant-geneesheer als directeur.

1898 Luthers Diaconessenziekenhuis aan de Koninginneweg 3 in aanbouw

Vanaf 1990 betrok de gemeente Amsterdam het gebouw, als Stadsdeel Zuid-kantoor, maar het werd verkocht, en verbouwd tot 11 luxe particuliere koopappartementen onder de gelikte marketingnaam La Reine, adres: Koniginneweg. Dat is andere koek dan de sociale huurappartementen van bewonersvereniging De Lange Adem, die uit de kraakbeweging voortkwam en nu met zo’n 100 bewoners huurt en woont in de voormalige Kweekschool in Oost. Het cultuurverschil tussen Zuid en Oost kan niet duidelijker zijn.

11 luxe koopappartementen, in wat nu – gelikt- La Reine heet, op de Koninginneweg in Zuid.

Het zal de dure locatie zijn geweest in Zuid, waardoor mijn ouders naar een goedkopere oplossing zochten voor de bevalling in de Kweekschool voor Vroedvrouwen. Mijn vader Halbe is ’s nachts, na mijn geboorte om 01.32 uur, door nachtelijk Amsterdam naar de Argonautenstraat in Zuid terug gestiefeld, dodelijk vermoeid: geen geld voor een taxi.

Vroedvrouwen in opleiding in de Kweekschool

De vroedvrouwenschool was als kraamkliniek niet zozeer voor armoedzaaiers, dat nou ook weer niet, want je betaalde gewoon voor je opname, maar blijkbaar was het verblijf in het ene ziekenhuis duurder dan het andere, in een tijd met een ander type zorgstelsel.

Wel bood de Kweekschool vanuit het Rijk in het begin vooral aan arme ongehuwd zwangere vrouwen – de mogelijkheid om tijdens de zwangerschap enige tijd intern te komen wonen op de Camperstraat: die “huiszwangeren” moesten zich tijdens de lesuren beschikbaar stellen voor de leerlingen en wat licht huishoudelijk werk doen als tegenprestatie. Ze waren er als oefen- en onderzoeksmateriaal voor de leerling-vroedvrouwen. Het begin van de pre-natale zorg. En introductie van zwangerschapsgymnastiek.

Het schoolbord uit het klaslokaal hangt anno nu in de hal van De Lange Adem in de Camperstraat, nadat de Kweekschool overging naar het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam-West. Inmiddels is de Academie Verloskunde Amsterdam een vierjarige HBO- opleiding geworden. En lijkt het woord “midwife” meer tot de verbeelding te spreken dan vroedvrouw.

DICHTERES

Mijn 35-jarige achternicht, die hier woont als dichter-kunstenares, werkt aan haar derde dichtbundel. Een gedicht “Augustus was overrijp” van haar is, als prijs voor het winnen van de Vlaams-Nederlandse Debuutprijs in 2013, vertaald naar álle talen van de Europese Unie, 23 talen op dat moment. Het klinkt in het Fins bijvoorbeeld als: “elokuu oli ylikypsä ja minulla oli omat epäilyni”: augustus was overrijp en ik had mijn bedenkingen.

Bernke is op filosofische wijze gefascineerd door het Waarnemen van de Wereld en de Werkelijkheid, door Zien en Kijken, waardoor haar eerste dichtbundel in 2013 de titel meekreeg: “Uitzicht is een afstand die zich omkeert”.

Vanuit die fascinatie voor het Beeld wordt ze getriggerd door mijn nieuwe levenssituatie, mijn huidige mono-culaire Zijn, nu mijn rechteroog vanwege oogmelanoom verwijderd is. Vaak praten we samen over wat ik niet zie en wel waarneem, hoe wij met onze hersens in feite kijken, met het oog als een soort projector dan wel camera.
Er zit een fractie van een seconde tussen wat het oog binnenkrijgt als externe prikkel en wat de hersenen vertalen als beeld. Wat wij zien als onze werkelijkheid is dus eigenlijk alweer passé…

Spiegelbeeld: voor noodgevallen hou ik een ooglapje achter de hand. Mijn achternicht wilde dat ook zelf een uurlang ervaren. Wat zie je, als je geen diepte ziet.

Gefascineerd door dit aspect ziet Bernke Klein Zandvoort mij nu, als een soort studieobject: soms figureer ik in haar gedichten of kunstprojecten: waar komen de fantoombeelden uit voort, die sinds mijn oogoperatie mijn gezichtsveld vertroebelen met een langzaam bewegende transparante waas van geometrische blokletters – een soort runetekens. Mijn hersens ontvangen nog maar via één oog externe prikkels: via mijn linkeroog. Zie ik soms 24/7 een vorm van letters, omdat in de linkerhersenhelft ons taalcentrum huist en mijn rechteroog – kruislings – verbonden was met mijn linkerhersenhelft?

De visuele cortex in onze hersenpan houdt ons beiden bezig. Bernke Klein Zandvoort leest veel over ogen en waarneming van de werkelijkheid. Wat betekent het, dat ik achter mijn gesloten ogen s’nachts in bed van veel te dichtbij close-ups zie van een oud gerimpeld mannenoog met woeste wimpers vol mascaraklonters, lijkt het wel. Of close-ups van dierenogen met rimpelende huidranden eromheen. Staart het oog van Sinterklaas mij aan? Of een oud gerimpelde oog van God? Mijn hersens zoeken zich het schompes naar mijn plots verdwenen oog, geloof ik. Dokters weten hier nog geen raad mee. Maar ik inmiddels wel.

Gedicht uit de bundel Veldwerk, 2020, Bernke Klein Zandvoort:

er is een nacht in de nacht

soms word ik daarin wakker

dan bekijk ik in gedachten

het gebouw waarin ik slaap

hoe tussen betonlagen het wezen van de stad

met dekens meevalt naar beneden

hoe tussen alles wat rechtop blijft staan

de mensen besloten te gaan liggen

in alle helderheid kom ik mezelf in mijn borstkapel tegen

(poem poem)

(poem poem)

(poem poem)

(poem poem)

tot de beklimming van de dag

waar ik wakker word achter gesloten ogen

met de eeuwig irritante vraag of dat wat niet gezien wordt er ook niet is

dat in een schelp een audio- opname kan blijven hangen

geloofde ik tot minstens negentien

VERLOSSING

24 december 2014: met moeder Anna op pad

Toen mijn moeder in 2015 op de Eerste Hulp van het OLVG-ziekenhuis belandde – tegenover de vroegere Kweekschool, waar ze beviel van mij – knapte het aneurysma in haar buik-aorta bijna; ze kreunde – waar ik bij was – tegen de ziekenbroeder, dat bevallen van een kind minder pijn deed.
Het duurde nog 5 jaar voordat die ader in haar buik definitief klapte, op 17 juli 2020 in een supermarkt. Haar horloge, dat ik van de GGD terugkreeg, staat stil op 17.55 uur en 57 seconden. Ze had de aarde verlaten, zonder afscheid.

Na 9 maanden zwangerschap werd ze door een verloskundige in de Kweekschool ooit van mij verlost. Ikzelf: verlost uit haar baarmoeder. Hier op aarde “kijk” ik nu nog even verder rond, voor zolang mijn verblijf hier duurt. Denkend aan wat ik niet zie, maar waarvan ik weet dat het er is. Of: denkend aan wat ik wel zie, maar waarvan ik weet dat het er niet is. Niet in deze werkelijkheid.

IN MEMORIAM:

ANNA ALGRA-LINDEBOOM: 4 augustus 1928 -17 juli 2020,
MARGARETHA ALGRA- BRANDLIGT : 1 september 1888 – 19 augustus 1958

Met briljanten groet

Een “vluchtbroche” vol diamanten. Albert ten Cate (1947): “Het zit in de genen van Joden dat ze altijd op de vlucht zijn, eeuwenlang. In een vluchtbroche kon je kapitaal verstoppen”. De broche is ontworpen door zijn grootvader, de man van Margaretha Sluizer-Hamburger van Parnassusweg 36 II-hg

Er waren klovers en snijders, slijpsters en zagers in de diamantindustrie en ik wilde zo langzamerhand het verschil weten. De Stadionbuurt puilde voor de oorlog weliswaar niet uit van de diamantbewerkers  – niet zoals de oude Jodenbuurt rond het Waterlooplein waar de diamantfabrieken stonden – maar ze waren er wel.  Een stuk of 30 diamantbewerkers uit de buurt werden vermoord. Een veel groter aantal was kind van diamantbewerkers geweest, zag ik. En inmiddels: kantoor-bank-of winkelbediende, hoedenmaakster, naaister, apotheker, accountant, ingenieur, tandtechnicus, ambtenaar, tramconducteur of wat dan ook.

Ook waren er diamanthandelaren, diamantairs zoals Jacobus Elion (1878-1980) op de Stadionkade 115, of Joseph Plas (1892-Auschwitz 1942) in de Agamemnonstraat 28 I-hg, en er waren eigenaren van kleine diamantbedrijven, zoals bijvoorbeeld: de Sluizer-Hamburgerfamilie op de Parnassusweg 36 II-hg. Bij hen sta ik stil. Blog 4 in de serie WIJ WAREN HIER over de Joodse geschiedenis van de Stadionbuurt.
Een portret.

MEVROUW MET BONTKRAAG

In januari 1942 plaatst mevrouw Margaretha Sluizer-Hamburger (1883-Sobibor1943) een annonce in het Joodsche Weekblad, het enige toegestane Joodse nieuwsblad in de oorlog, uitgegeven door de Joodsche Raad. Mevrouw zoekt een huishoudelijke hulp, want ze moet -sinds haar man was overleden in 1934 – met haar 25-jarige zoon Albert Sluizer (1916-Mauthausen, 6 juli 1942) een kleine diamantzagerij in de Pijp runnen, een buurt in Amsterdam Zuid.
Het pand aan de Parnassusweg in de jonge Stadionbuurt was in 1932 opgeleverd. Het gezin, met inmiddels uitwonende getrouwde dochter Betty, kwam er in 1938 wonen, vanuit de Cliostraat – achter het Minervaplein – en de Johannes Verhulststraat uit de Concertgebouwbuurt, en voordien uit de Linnaeusstraat in Amsterdam Oost. Margaretha was een echte Zuid-mevrouw geworden. Een mevrouw met bontkraag.

Margaretha (met vossenbont om haar nek) en haar man met kinderen Albert en Betty.

Het waren geen arme lui, mijn grootouders,” zegt Albert ten Cate (75), zoon van Betty Ten Cate-Sluizer (1914-1966), als ik hem op zoek in zijn juwelierszaak in Den Haag: “ze gingen op vakantie naar Duitsland, reden in een auto, ze droeg een bontjas, daar zijn foto’s van”. Hij probeert er feeling mee te krijgen, met de familiegeschiedenis, die nog zoveel onduidelijkheden in zich herbergt, het houdt hem bezig: “Ik kijk wel es naar een foto uit het huis op de Parnassusweg, waarop ook schilderijen te zien zijn. Dan denk ik: waar is al die kunst gebleven? Alles is leeggehaald, “gepulst”.

Het verhuisbedrijf Puls in Amsterdam haalde in opdracht van de nazi’s Joodse huizen leeg, als de bewoners gedeporteerd waren.

Albert ten Cate, nabestaande van Margaretha en Albert Sluizer, in zijn juwelierszaak

DIAMANT

Het verhaal van de Sluizer-Hamburger-familie is hoe dan ook een verhaal over diamant. Margaretha kwam uit een groot Hamburger-gezin van 10 kinderen, waarvan vader Emanuel Hamburger, geboren in 1837, diamantslijper was geweest. De Godfather van de Hamburgers,, noemt Albert ten Cate hem, zijn overgrootvader. Bijna alle 10 kinderen uit dat gezin, de partners en schoonouders en kleinkinderen werkten “in de diamant”, slijpers, snijders, klovers, zagers, noem maar op.

Een diamant slijpen tot briljant is secure werk; het geeft met al haar facetten de glans en schitter – luster – aan de natuursteen. Daaraan vooraf gaat het zagen en kloven. De diamantklover is de eerste die de grote ruwe diamant op de juiste naad goed moet zien te splitsen, met zo min mogelijk steenverlies, een zware verantwoordelijkheid. Net als de zager.

Als je met Albert ten Cate emailt, krijg je altijd “met briljanten groet” toegewenst van hem tot slot. Daarmee stapt hij doelbewust in de familietraditie van de diamant. Niet voor niets draagt de etalage van zijn juwelierszaak in Den Haag het opschrift “juwelier-diamantair sinds 1837″. Albert is er trots op.

Diamantzagerij Sluizer op de Albert Cuypstraat met 200 zaagmachines. Het duurde wel 4 tot 5 dagen voordat een grote diamant doorgezaagd was

SIR ALBERT

De diamantzagerij zat in de nok van een grote diamantslijperij, op de hoek van de Ruysdaelkade en de Albert Cuypstraat. Een pand waar nu een hotel “Sir Albert” gevestigd is, toeval moet er zijn. De 25-jarige Albert Sluizer was bedrijfsleider. Margaretha was van huis uit diamantzaagster, net als haar overleden man Alexander Sluizer; hij was het die rond 1910 een zogeheten vluchtbroche vol diamanten ontworpen had, waarvan Albert ten Cate me in Den Haag uitlegt wat Joden daarmee bedoelen:

Het zit in de genen van Joden dat ze altijd op de vlucht zijn, eeuwenlang al. In een vluchtbroche kon je kapitaal verstoppen,”

Er waren zo’n 5 personeelsleden in de diamantzagerij op de Albert Cuypstraat en zo’n 200 zaagmachines, die permanent roulerend bediend moesten worden. Een grote ruwe diamant lag misschien wel vier tot vijf  dagen in zo’n zaag voordat hij doorkliefd was. Diamant is de hardste steen die er bestaat.

DIAMANTROOF

Margaretha – dan wel haar zoon Albert Sluizer – hebben op last van de nazi’s op 16 april 1942 de hele diamantvoorraad van het bedrijf verplicht en gedwongen moeten inleveren aan het Rijksbureau voor Diamant in de Diamantbeurs aan het Weesperplein, een plek die anno nu – na renovatie met een spectaculair glazen dak – een hotspot is voor creatievelingen: “Capital C”.

Diamantbeurs aan het Weesperplein na de verbouwing. Foto: het Parool

Wat een wrange naam, Capital C. Het moet vooral een schaamtevolle ervaring voor de Sluizers zijn geweest; er zijn foto’s van diamanthandelaren die de dag na die beruchte inbeslagname in 1942 uitvoerig op de beurs gefouilleerd werden door Nederlandse ambtenaren van dat Rijksbureau voor Diamant, in bijzijn van de Nederlandse politie, om te inspecteren of ze toch nog diamanten achterhielden.

De Nederlandse politie en Nederlandse ambtenaren werkten in opdracht van de nazi’s. De gevorderde diamanten zijn zo goed als zeker gebruikt als deviezen voor de Duitse oorlogsindustrie; een aantal nazi-topfiguren is er bovendien met een persoonlijke diamantenbuit vandoor gegaan naar Zuid-Amerika (*1).

Diamantbeurs, 16 april 1942. Ambtenaren fouilleren diamanthandelaren, Foto Stadsarchief.

Het bedrijfskapitaal van de Sluizers verdween op slag. In 1942 was het getaxeerd op 29.500 gulden. De diamantzagerij, die in handen kwam van een Duitse Verwalter, een zaakwaarnemer, is na de oorlog ter ziele gegaan. De enige Sluizer die nog leefde was dochter Betty, de moeder van Albert ten Cate.

Personeel voor een diamantzagerij was na de oorlog niet meer te vinden. De hele diamantindustrie in Amsterdam, die grotendeels op Joods personeel en Joods kapitaal was gebaseerd, stortte in. Voor de oorlog waren er ruim 80 diamantfabrieken geweest in Amsterdam; zo’n 10.000 Amsterdammers werkten daarin.

Amsterdam als diamantstad was fini. Antwerpen en Zuid-Afrika, Palestina, de VS en India namen het over. En Duitsland.

Prachtige video over diamantslijpen bij Gassan Diamonds, één van de resterende grote diamanthandelaren in Amsterdam. Klik online.


Albert ten Cate ging het juweliersvak in, hij noemt het zijn “diamant-gen”. Hij vertelt me in zijn zaak in Den Haag over de 8-hoekige diamantvorm en laat een oude hand-diamantzaag zien die in de winkel staat.

MAUTHAUSEN

In 2019 gaan Albert ten Cate en zijn partner naar Mauthausen in Oostenrijk. Op zoek naar het verhaal van zijn verdwenen oom Albert, die op 6  juli 1942 in Mauthausen is vermoord. Aan Sobibor, in Polen, waar zijn oma Margaretha vergast wordt in 1943, wagen ze zich maar niet.

Op “de trap des doods” vanuit de steengroeve in Mauthausen omhoog, bezweken velen onder het gewicht van zware granietblokken, ruim 50 kilo zwaar. Diverse jongemannen uit de Stadionbuurt hebben dit lot ondergaan. In een ander blog uit deze serie “Wij waren hier” sprak ik over de razzia van 11 juni 1941 in Amsterdam-Zuid  – de tweede grote razzia in Amsterdam – waarbij zo’n 300 jongens op 1 dag tegelijk naar Mauthausen werden afgevoerd, 22 jongens uit de Stadionbuurt,

Sommige gevangenen sprongen van bovenaf zelf de diepe steengroeve in, om van de trap bevrijd te zijn, anderen werden om niets geëxecuteerd. En sommigen werden zelfs – experimenteel – vergast.

Van “oom Albert”, zoals Albert ten Cate hem steevast noemt, ook al is hij 75 en is zijn oom slechts 25 geworden, weten we dat niet. Op het enige document wat er is, staat: om 8.10 u ’s ochtends: ” Auf der Flucht erschossen worden”, zo noemden de nazi’s dat. Het is vandaag exact 80 jaar geleden. Hij was er op 21 juni 1942 geïnterneerd, twee weken voor zijn dood, de datum van deportatie vanuit Amsterdam, is bij de familie niet bekend.

Albert ten Cate zoekt in Mauthausen de naam van zijn oom Albert, naar wie hij heet
Albert ten Cate wijst met zijn vingers in Mauthausen  de naam van zijn oom aan. Foto’s: Albert/Axel Ten Cate, 2019

De juwelier lijkt er trots op dat hij vernoemd is naar zijn oom Albert. Zijn moeder Betty was close geweest met haar broer en kwam er pas in 1949 via de Staatscourant achter wat er met hem was gebeurd. Toen ze in 1947 haar tweede kind kreeg, noemde ze hem naar haar broer.
Albert ten Cate lijkt nog steeds graag naar parallellen met zijn oom te zoeken. “Ik hou net als hij van reizen en van zeilen en van humor”, zegt hij met glanzende ogen, maar zijn grapjes klinken soms wel wat wrang, merk ik. Misschien is dat wel Joodse humor, zeggen ze wel eens.

Er hangt inmiddels een lichtblauw lint naast de verbrandingsoven in Mauthausen. Het lint hing aan een grote Jodenster, opgemaakt met kleine blauw-witte bloemetjes, in de kleuren van de Israëlische vlag, met zo’n 1,5-meter doorsnee. Het paste amper in hun kofferbak, lacht hij.

Het blauwe lint hebben Albert en partner Axel naast het crematorium opgehangen

FLINK

Hoe moet Margaretha zich gevoeld hebben toen haar zoon Albert ineens verdween in 1942? En toen ook nog eens haar kamerbewoonster, Lea Content-DeSmitt (Parijs, 1867 – Auschwitz, 1942) vlak daarna, van de Parnassusweg verdween?  Margaretha’s volwassen dochter Betty woonde inmiddels in Amstelveen, de moeder van Albert ten Cate.
Margaretha verbleef vaak bij haar dochter.

Heel Amsterdam moest Judenrein worden, maar in Amstelveen was dat anders, dat moet de redding van mijn moeder zijn geweest“,

zegt Albert ten Cate. Zijn moeder was gemengd gehuwd, getrouwd met een niet-Joodse man, iets wat in de oorlog nog enige tijd hielp om voorlopig niet op transport te hoeven. Totdat die regel ook werd afgeschaft.

Margareta Sluizer -Hamburger met haar kinderen Albert en Betty Sluizer

Voordat grootmoeder Margaretha zelf gedeporteerd werd, in mei 1943, verdween dichtbij – uit de Milletstraat, pal achter de Parnassusweg – haar zus Sophia Klok-Hamburger (1877-Sobibor, maart 1943). Zij runde daar een pension, als weduwe van een diamantsnijder. En haar zus Rosette Stern-Hamburger (1869- Sobibor april 1943) verdween uit de Cliostraat, even verderop bij het Minervaplein.
Wat een dreiging moet dat voor Margaretha zijn geweest.

Ik zal me flink houden”, schrijft ze uiteindelijk op 9 mei 1943 aan haar dochter Betty, vanuit de Hollandse Schouwburg in Amsterdam-Oost, waar Joden bijeengebracht werden aan de vooravond van hun transport naar Westerbork.
Ze vraagt om “zeep, tandpasta en een schuiertje”. De brief is getypt. Albert ten Cate geeft hem mij. Ook vraagt ze om wollen dekens, “daar ik waarschijnlijk maandagmiddag naar Westerbork vertrek”. Op 16 mei bedankt ze nog per brief voor allerlei levensmiddelen.
Haar trein vertrekt vanuit Westerbork op 18 mei 1943. De Duitsers hebben het allemaal keurig gedocumenteerd. Op 21 mei wordt ze in Sobibor direct bij aankomst vergast.

Nationaal Holocaust Namenmonument, Amsterdam, 2022: met de namen van ruim 102.000 mensen die nooit een graf kregen

Het is één grote slachting geweest in deze grote Hamburgerfamilie. Met echtgenoten en schoonouders mee, kinderen, neven en nichten zijn er ca. 95 mensen in deze familie vermoord, 95. Vier nichtjes overleefden de oorlog, een enkeling ontsnapte via emigratie . Ook “oom Albert” had een paspoort aangeschaft, weet zijn neef de juwelier, maar van emigratie is het nooit kunnen komen.

Zwijgend kunnen we met Albert de trap van de steengroeve in Mauthausen beklimmen via bijgaande video, zonder tekst, op rustige pianomuziek. Een eerbetoon. Ook voor de andere joodse jongens uit de Stadionbuurt, 22,  die hier een jaar voor Albert al waren omgekomen en die ik in het blog “De tweede razzia van ’41” een naam en gezicht heb willen geven.
Wij kunnen met hen meelopen, digitaal, in memoriam, maar wij kunnen hun 50-kilo zware granietblokken niet helpen dragen…

Video: de trap des doods: (klik online! Mijn blogs met video’s in de tekst worden  qua lay-out het beste online gelezen, ga online via de blogtitel in de mail )

  • Bronnen o.a.:
  • persoonlijke interviews met A. ten Cate, 4 oktober 2021/22
  • brieven en documenten van de familie Sluizer,
  • website: Over ons – De wereld van Albert ten Cate – Juwelier – Diamantair
  • (*1)De diamantenroof, hoe nazi’s met diamanten uit België en Nederland naar Zuid-Amerika vluchtten, B. van Ede, Paul Post, 2016
  • Een schitterende erfenis, 125 jaar Alg Ned Diamantbewerkersbond, Karin Hofmeester, Esther Göbel, Daniël Metz, e.a., 2019
  • Joodse cartotheek/ Arolson Archives
  • woonkaarten Stadsarchief Amsterdam
  • Digitaal Joods Monument

Bepakt en bezakt

“Al moet ik er dwars doorheen gaan, toch zal mijn naam in dit album staan” schrijft de 15  jarige Rena Stenszewski in het poësie-album van haar vriendinnetje. Op 20 juni 1943 wordt ze via het Olympiaplein gedeporteerd naar Westerbork, op 9 juli vergast in Sobibor.

Je moet het weten, anders loop je er aan voorbij, aan de schaduwen in asfalt die deze week zijn aangebracht in de stoeptegels van het Olympiaplein, tegenover de tramhalte van lijn 24. Het is een gedenkteken. Een modern oorlogsmonument van de kunstenaar Ram Katzir. De schaduwen reflecteren de Joodse mensen die hier op 20 juni 1943 vertrokken, met kinderen op hun arm of aan de hand, koffers en buidels bagage. Bepakt en bezakt, op transport.
Dit is deel 3 in de oorlogsserie “Wij waren hier” over Joodse Stadionbuurtbewoners. Een derde hoofdstuk.

Schaduwen, ter herinnering aan de razzia van 20 juni 1943.
Olympiaplein, hoek Marathonweg:, 20 juni 1943, foto Beeldbank

OLYMPIAPLEIN 20 JUNI 1943

” s Nachts rond een uur of vier werd er op straat met luidsprekers in het Duits omgeroepen dat “Juden” moesten klaarstaan met een koffertje. Wij wisten niet zeker of ze nou riepen Juden of Jugend, dus mijn vader sommeerde mijn  broer, om zich direct op zolder te verstoppen in onze onderduikplek. Mijn andere broer was toen al in het Oranjehotel  in Scheveningen gevangengezet.”

vertelt mij een oude buurtbewoonster, Bep De Jager-Eusman in 2020 op 93-jarige leeftijd.  Ze woonde tijdens de oorlog in de Sportstraat. Haar beide broers zaten in de illegaliteit, verspreidden ondergrondse kranten als Vrij Nederland en ook haar zus regelde voor de ondergrondse persoonsbewijzen. 

Het was zondagochtend en normaal gesproken zou het protestantse gezin Eusman naar de gereformeerde kerk gaan op het Raphaelplein, achter het Olympiaplein. Bep liep nu alleen naar de kerk, om een uur of half 10. Haar vader dacht dat ze als 15-jarig pubermeisje geen gevaar liep.

“Ter hoogte van de Agamemnonstraat zag ik allemaal trams staan met mensen erin, ik wist toen niet specifiek dat het Joden waren. Ik durfde ook niet goed te kijken. Duitsers schreeuwden tegen me dat ik moest doorlopen, Schnell! Schnell!”.

De Raphaelpleinkerk bleef bijna leeg, herinnert ze zich, want later bleek dat er overal versperringen waren aangebracht om de grote razzia, die  in Amsterdam Zuid en Oost die dag gehouden werd, zo gestroomlijnd mogelijk te laten verlopen.
Ook de dominee was er niet; toen heeft een ouderling maar een preek afgestoken, weet ze nog. Dat zij buiten kon lopen, zal te maken hebben met dat ze in het afzettingsgebied woonde. Andere Amsterdammers werd gesommeerd binnen te blijven, zeggen diverse bronnen.

Joodse wachtenden, 20 juni 1943, trams 24 op het Olympiaplein staan klaar

Het sportveld op het Olympiaplein was die dag één van de verzamelplekken voor Joden. Andere waren: het Sarphatipark en het Daniël Willinkplein (nu Victorieplein) in de Rivierenbuurt; historicus Jacques Presser noemt ook de Polderweg in Oost.
Honderden mensen werden samengedreven, 5.542 Joden in Amsterdam gingen die zondag op transport, soms van huis opgehaald, soms zelf gehoor gegeven aan de oproep om zich te melden bij deze verzamelplekken.

Na drie jaar oorlog, drie jaar spanning, drie jaar angst voor de huisbel of het geluid van stampende militaire laarzen die konden stoppen bij je voordeur…wisten ze dat er geen ontkomen aan was. Het ene gezin ging wel na de oproep, het andere gezin (nog) niet. Of was al “verdwenen”. Velen hadden al jaren een gepakte noodkoffer of rugzak klaarstaan.

Het was een zonnige juni-zondag. Dat zie je ook op de foto aan de scherpe schaduwen onder hun voeten. Het zijn die schaduwen die kunstenaar Katzir geïnspireerd hebben voor het gedenkteken.

Diashow (klik) met diverse foto’s van Joodse wachtenden op het Olympiaplein, ook met voorzitter van de Joodsche Raad: David Cohen (middenin), 20 juni 1943:

126 STADIONBUURTBEWONERS

Noch het NIOD, noch het Stadsarchief, Westerbork of de Gemeente Amsterdam kennen cijfers over de hoeveelheid mensen op het Olympiaplein die dag. Slechts het totaal van 5542 gedeporteerden uit Amsterdam is bekend.
Aan de hand van sterfdata van 1100-1200 vermoorde Stadionbuurters en de cartotheek van de Joodsche Raad heb ik kunnen traceren, wie van hen op 20 juni 1943 zijn geregistreerd in Westerbork.

Ik tel zo’n 126 Joodse Stadionbuurtbewoners die op deze dag van het Olympiaplein vertrokken zijn en vermoord. Het totaal is meer, een enkeling kwam terug. Als ik net als bij mijn blog over de razzia van 11 juni 1941 hiervan een kader zou publiceren met zo’n 126 namen, adressen en leeftijden, zult u schrikken van de ruimte die deze lijst inneemt.

WESTERBORK

Op 21 juni 1943 spreekt de Joodse schrijfster/vertaalster Etty Hillesum (1914-1943), in een brief vanuit Westerbork over “enige vloedgolven van Joden” die dat etmaal het kamp “verzwolgen“.(*4)
Ook de journalist Philip Mechanicus (1889-1944) heeft het erover in Westerbork, op 20 juni in zijn dagboek “In Dépôt” :

Aan het eind van een verrukkelijke zomerdag is hier vanavond een der laatste golven Joden uit Amsterdam binnengespoeld. Onder de brandende zon zijn tweeduizend mannen, vrouwen en kinderen, in veewagens het kamp Westerbork binnengereden. (*5)

Als een reporter verslaat Mechanicus het dagelijks leven in Westerbork. De journalist van het Algemeen Handelsblad, die in de Botticellistraat pal achter het Olympiaplein woonde, en zonder Jodenster in de tram was aangegeven door een medepassagier, zat sinds 1942 in Westerbork gevangen. Hij schrijft dat er na vele stromen pauper-joden, zoals hij het noemt, nu ander publiek binnenkomt:

De binnenkomst van de transporten vandaag maakte niet de tragische indruk van voorafgaande transporten: voor het merendeel welgebouwde en goedgeklede mannen en vrouwen voorzien van goede dekens en uitrustingsstukken alsof zij voor een vakantieverblijf waren aangekomen, en die blijkbaar gewend waren te reizen.

Op 21 juni noteert hij:

Vandaag een vieze, druilende regen. Vannacht zijn nóg twee treinen elk met ongeveer tweeduizend Joden binnengekomen, ook in beestenwagens, toen alles sliep. (-) Vanmorgen vroeg deponeerden lorries de duizenden koffers, zakken en bundels, die de Joden uit hun huizen hadden meegenomen en die in een aparte wagon waren geladen, op het terrein tussen de barakken,(-): duizenden mannen en vrouwen hebben, na een lange, afmattende wachttijd, hun bagage bemodderd teruggekregen. In dichte troepen zijn zij de barakken ingedreven: drie, vier, soms vijf mensen in twee bedden, mét hun bagage. 

KINDEREN

Frederika van Dam, 13 jaar, de dochter van de slager

Er zijn op 20 juni vele kinderen bij. Zoals de 13-jarige slagersdochter Frederika van Dam van de Marathonweg 51, hoek Hygieaplein, met haar ouders Samuel en Elisabeth van Dam-Premseler, die vanaf 1930 daar een slagerswinkel uitbaatten. (Hoewel dit winkelpand nà hen diverse niet-Joodse slagers kende, is de klantenkring voor een aanzienlijk deel Joods gebleven. De ossenworst naar klassiek Joods recept en pekelvlees met gekookte lever zijn nog steeds vermaard).

Het gezin wordt in Sobibor meteen bij aankomst op 9 juli vergast, net als de 15-jarige Renate Stenszewski en haar Duitse ouders Bruno en Ellen StenszewskiWolff van de Parnassusweg 34 II: het meisje in het poesie-album, hierbovenaan mijn blog. Al moest ze er dwars doorheen gaan, toch wilde ze in dat album staan, schreef ze.

koffer voor Frederika van Dam (1930-1943)

Voor beide kinderen Frederika en Renate is ter nagedachtenis een koffer opgenomen in het kofferkunstwerk “In Memoriam” van Willem Volkersz, dat in 2019 in het Holocaustmuseum stond, tegenover de Hollandse Schouwburg in Amsterdam-Oost; bij heropening van het museum in 2023 zal het ongetwijfeld herplaatst worden. Er worden daarin totaal 172 Joodse schoolkinderen herdacht, die op de 1e Montessorischool zaten in de Corellistraat, achter de Beethovenstraat. Een klein deel van deze koffers verwijst naar kinderen uit de Stadionbuurt. En weer een kleiner deel daarvan verwijst naar 20 juni 1943.

Kofferkunstwerk “In Memoriam” in het Nationaal Holocaustmuseum

Ook Alfred Mendes (13) van de Stadionkade 132 hs heeft zo’n koffer in dat kunstwerk. Elke koffer draagt een naam, leeftijd en een sterfdatum. Het is een bijzondere, verstilde, indrukwekkende ervaring om tussen deze houten koffers te staan, merkten mijn moeder en ik in 2019. Schoolklassen mogen in het museum zelf de 172 koffers rangschikken, waardoor er bij elk bezoek een andere vorm kunstwerk ontstaat.

Alfred wordt met zijn moeder Lea Mendes -de Hoop op 2 juli 1943 in Sobibor vergast, nadat ze op 20 juni per tram verdwenen uit de buurt. Na de oorlog plaatst Alfreds vader, die op de Apollolaan gescheiden leefde van zijn ex-vrouw, wanhopig een opsporingsberichtje.

Ook de aardrijkskundeleraar Tini van der Heijden (30) uit de Hectorstraat 12 hs verdwijnt die dag met zijn vrouw Dorothee (25) en kinderen. Het hele gezin wordt bij aankomst in Sobibor vermoord, 23 juli 1943: Michael, de jongste is 1 jaar, Eva is 3 jaar.

Tiny van der Heijden met zijn jonge gezin in de Hectorstraat.

Op dezelfde datum vindt een gezin uit de Turnerstraat 21 hs de dood. Het zijn Ludwig en Julia Vomberg-Prins en hun 8-jarige dochtertje Clara, die ook een koffer in het Holocaustmuseum heeft. Ook zij vertrokken op 20 juni via het Olympiaplein, samen met de 1 maand oude baby Eduard. Dit kindje heeft Sobibor nooit gehaald, het ging in Westerbork al dood op 6 juli. Wat een reis heeft dit gezin gemaakt…

video: koffertransport vanuit de 1e Montessorischool:

Video: De houten koffers uit het kofferkunstwerk IN MEMORIAM worden vanuit Zuid door scholieren gebracht naar het Holocaustmuseum, dat heropent in 2023.

SOCIAAL DEMOCRATiSCHE ARBEIDERS PARTIJ

Behalve de kinderen uit de buurt, wil ik hier nog een ander aspect belichten: dat van de seculiere joden die weinig tot niets nog met het Jodendom hadden.
Zo verdwijnt op 20 juni van Marathonweg 39 I hg vakbondsbestuurster Alida de Jong (1885-9 juli 1943), tante van de later bekend geworden historicus Loe de Jong. Zij woonde daar sinds 1941 met haar zus Nanette (1884-9 juli 1943).

Alida de Jong, vakbondsbestuurder, politica

Alida, dochter van een diamantslijper, was oorspronkelijk naaister bij de Bijenkorf, maar had zich via vakbondswerk weten op te werken tot Tweede Kamerlid voor de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP, voorloper van de PvdA).

Ook was ze gemeenteraadslid in Amsterdam. Naar haar zijn scholen genoemd en een raadszaal in het huidige Amsterdamse stadhuis. Ze hield zich bezig met het vrouwenkiesrecht en stakingen in de confectie-industrie. (*6)

In een brief aan haar neef Loe, die naar Engeland was uitgeweken, schrijft ze in 1941 – in codetaal – hoe ze haar politieke werk gedwongen kwijtraakt, als Joodse. Ze praat over “de firma” (Tweede Kamer) en hun “Amsterdamse filiaal” (gemeenteraad) die haar ontslagen had.

” Nu wonen wij ‘een hoog’ in Zuid. Wij hebben een goede woning: vier kamers, een badkamer en een keuken. Een werkkamer heb ik niet, dat is echter thans niet noodig. (-) Ik ben dus werkloos, en vele anderen met mij. Je probeert er het beste van te maken. (-)

Na 15 mei van het vorige jaar zijn Nan en ik tweemaal in de schouwburg geweest. Concerten heb ik niet bezocht. Voor het eerst sinds heel wat jaren heb ik de Mattheus Passion niet gehoord”.(*7)

Vanwege haar uitgebreide netwerk had zij kunnen onderduiken, denkt haar biograaf (*6) maar ze voelde zich solidair met “haar naaistertjes” . Een houding, die we ook terugzien in de dagboeken van de spirituele Etty Hillesum. Ook zij wilde niet onderduiken; maar haar lot ondergaan, met de haren.

Alida de Jong kan symbool staan voor al die Nederlandse socialistische (geassimileerde) Joden, die zich niet (meer) met het religieuze Jodendom ophielden. Voor de nazi’s maakte dat niet uit. Het aantal Joodse voorouders bepaalde sinds 1935 volgens de Neurenberger rassenwetten of je Joods was en een paria werd.

DIAMANTBEWERKERS

De familie Stranders uit de Stadionbuurt is ook zo’n voorbeeld. Een echt SDAP-nest, eerder socialist dan Jood. Annie Romijn -Stranders (39), diamantslijpster, en haar man David (46) en zoon Louis (16) worden op 20 juni gedeporteerd en bij aankomst in Sobibor meteen vergast op 9 juli. Annies ouders Levie en Rebecca StrandersBenavente van  Marathonweg 59 I-hg, waren in mei weggehaald en omgebracht.

Vader Levie was diamantbewerker en had een eigen klein diamantslijpersbedrijfje kunnen opzetten. Annie had thuis op Stadionweg 290 IIIhg een diamantslijpmachine. Levie was zijn verdriet niet meester geweest toen hij zijn zoon Ben in 1942 voor het eerst met de Jodenster had gezien; hij zag het als een brandmerk uit de middeleeuwen.

Annies man David had zich opgewerkt met scholingscursussen van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond van diamantbewerker tot accountant. Hij was trots op zijn boekenkast die hij had laten maken en die hij uit voorzorg “in de onderduik” had gedaan bij kennissen op de Van Tuyl van Serooskerkenweg.

Fred Stranders in 2019, bij de boekenkast van David Romijn

Neef Fred Stranders (89), zoon van Annie’s broer Ben, is degene die het verhaal van de boekenkast kan vertellen. De boekenkast van David die ze na de oorlog op de Van Tuyl van Serooskerkenweg wilden ophalen. Maar niet meteen meekregen omdat eigenaar David na 20 juni 1943 nooit meer in de Stadionbuurt terugkwam. Fred Stranders kan er nog geëmotioneerd van raken. “Bewariërsnoemen wij Joden dat“, zegt hij. Met de nodige druk kwam de boekenkast terug in de familie .

Fred’s ouders doken apart van hem onder, Fred – toen 10 jaar – zwierf langs zes verschillende adressen. Je had er geld voor nodig. En contacten, beklemtoont hij. Ook Paula Stranders (1899-1989) de andere dochter van Levie, die op de Marathonweg had gewoond, had zo overleefd.

In 1945, zonder huis, betrokken ze later op Stadionplein 77 een etage, samen met tante Paula. Zo’n 17 jaar was Fred Stranders Stadionbuurtbewoner. Op 20 juni 2022 is hij één van de nabestaanden die de razzia op het Olympiaplein heeft kunnen gedenken. Het gaat hem niet in de koude kleren zitten.

STADIONKADE 115 EN 116

Tot slot iets over twee buren, de familie Elion en Van Meekren. De familie van Selly Elion (1923-1943) van Stadionkade 115 hs vervoegt zich op 20 juni op het Olympiaplein: vader, moeder, dochters Lize van 12 en Selly, nadat mannen hun huis waren binnengedrongen, “stijve kerels in uniform” (*9). De SS’er draagt haar zware koffertje, getuigt Lize Lisser-Elion (1931-2011) op video voor de USC Shoah Foundation van Steven Spielberg.

Vader is diamantair. “Hij vierde geen Joodse feestdagen, en sprak niet over het Jodendom. Ik herinner me dan ook goed dat ik niets over het Jodendom wist, totdat een vriendinnetje op een dag vroeg: ‘Zeg, jij bent Joods ?’
‘Joods, Joods… wat is dat?’. (*9)
Toen ze verplicht van de Spartaschool (nu Olympiaschool) af moest als Joodse naar een Joodse school, was dat een enórme overgang,

Op het sportveld hebben we eindeloos staan wachten, wachten, wachten.” (-) Het was zo raar, het was een gewone tram, wie zit er nou in een gewone tram en wordt gedeporteerd?”
Na de tramrit naar het station duikt zus Selly achter een locomotief weg, en ontsnapt aan de razzia. Maar juist zij wordt later vanuit de onderduik gepakt en vermoord. Terwijl het gezin Elion na 6 weken uit Westerbork vrijkwam – en later, nadat Selly gepakt was, opnieuw uit de Hollandse Schouwburg:  “Hoe, dat weet ik nog steeds niet. Waarschijnlijk is er iemand omgekocht” (*10).
De nazi’s hadden wel interesse in “diamantjoden”, vader stond op een diamantlijst.

Terug thuis gaan de Elions via mevrouw Truus de Swaan -Willems van  Stadionkade 79 – en haar tuinman Hannes Boogaards –  de Haarlemmermeerpolder in. De onderduik. Op deze onderduikgevers uit Hillegom kom ik later in een ander oorlogsblog terug.

Stadionkade 116 hs

Buren van de Elions waren de Van Meekrens op Stadionkade 116 hs. In  de oorlog waren ze uit huis gezet: isolatiepolitiek van de nazi’s om Joden te centreren: gedwongen verhuisd naar de Transvaalbuurt in Oost. Daar hoorde de latere tv-journalist Jaap van Meekren (1923-1997) op 20 juni 1943 s’ochtends de oproep. “Ik hoor mijn vader nog zeggen: “We moeten allemaal weg!”. Ik zei tegen hem: “ik ga niet” (*12).

Door achtertuinen vlucht hij, terwijl zijn ouders en inwonende tante Helene van Meekren (1881- 16 juli 1943) – één van de eerste vrouwelijke journalisten van Nederland –  plus de inwonende vluchteling Hans Moritz Lindauer (1927-1945) onderdeel van de razzia worden.

Van Meekeren zwerft over 13 onderduikadressen door Amsterdam, soms de nacht op een stoel doorbrengend, met niets anders bij zich dan een aktentas met daarin zijn scheerapparaat. Uiteindelijk kan hij “met veel geluk en toeval” op de Van Tuyl van Serooskerkenweg terecht, waar hij tot aan het eind van de oorlog blijft, hij komt niet buiten en doet wat huishoudelijke taken, getuigt hij in 1996 – 72 jaar oud  – voor het videoproject Tweeduizend Getuigen van de USC Shoah Foundation, te zien in het Joods Historisch Museum.

Op 5 mei 1945 loopt hij naar zijn ouderlijk huis op de Stadionkade. Daar woonde inmiddels een NSB’er, zegt hij. Dan gaat hij naar het confectiebedrijf van zijn vader (lachend: “wij hadden een jurkenfabriek voor dikke dames“) waar op dat moment nog de Duitse zaakwaarnemer  inzat.  Hij zet een procedure in werking om zijn ouderlijk huis terug te krijgen, gaat wonen in het confectiebedrijf en wacht op bericht van zijn familie en pleegbroer Hans. Op 1 juli 1945 hoort hij dat zijn ouders uit Theresiënstadt teruggekomen zijn in Amsterdam. Zijn tante en Hans komen nooit weerom.

Detail, Memorial in Sobibor

Het is tijd voor Bach, vind ik. Voor de aria Vergnügte Ruh, liebes Seelerust” , BWV 170 . Fred Stranders koos voor muziek van Händel bij een plechtigheid in 2019 om zijn gereformeerde onderduikouders in Utrecht te eren. Aan hen dankt hij zijn leven, zegt hij.
Ik kies voor Bach. Luister:

Bronnen:

  • (*1)De brief van mijn vader/Onderduiken doen je zo, Ben en Fred Stranders, 2016
  • persoonlijk interview 2019 dhr. Fred Stranders
  • persoonlijk interview 2020 mevr Bep de Jager-Eusman
  • (*4) Etty Hillesum : brief 21 juni 1943 uit “Het Werk”, 2012
  • (*5)Philip Mechanicus – In dépôt, dagboek uit Westerbork, pag. 50-52
  • (*6) Alida de Jong, een vakbondsvrouw van voor de oorlog, Peter Paul de Baar, 1985
  • (*7) Ons Amsterdam, 25 juni 2018, brief van Alida de Jong:  https://onsamsterdam.nl/je-probeert-er-het-beste-van-te-maken
  • (*8)Een schitterende erfenis, Algemene Ned Diamantbewerkersbond, 2019
  • (*9) Lize Lisser- Elion in “Ondergedoken als Anne Frank” – Prins, Steenhuis, 2011
  • (*10)Lize Lisser-Elion, mp3 via: https://andereachterhuizen.nl/
  • (*11)Lize Lisser-Elion, videogetuigenis USC Shoahfoundation: https://vhaonline.usc.edu/phone/Search/Testimony/18720
  • (*12)Jaap van Meekeren, videogetuigenis in Tweeduizend getuigen Vertellen, Shoahfoundation, Joods Historisch Museum.
  • (*13)Een verhaal uit duizenden, Citroen/Mendel, hoofdstuk over Van Meekren, 2009
  • Joodse cartotheek/ Arolson Archives

De tweede razzia van ’41

In een kruipruimte van een benedenhuis op de Stadionkade werd in 2017 door een electricien een kistje gevonden, gewikkeld in krantenpapier en een getuigschrift van de Talmud Tora Schule uit Hamburg. Er zat o.a. een glasnegatief in, een brief uit doorgangskamp Schoorl en één uit concentratiekamp Mauthausen, van augustus 1941:

Peter Redlich, Stadionkade 135 hs. Foto: Joods Historisch Museum

Mir geht es gut, und Ihr braucht Euch keine Sorgen um mich zu machen. (-)Zeitungen und Pakete braucht Ihr mir nicht zu schicken, da ich hier alles kaufen kann”.
De 19-jarige Peter Redlich, zoon van een Duitse fabrikant in regenkleding die in 1938 naar Amsterdam was gevlucht met zijn gezin en op Stadionkade 135 was komen te wonen, was niet de enige Joodse jongen die zo’n fake-brief naar zijn ouders stuurde. Op 13 september 1941 werd Peter in Mauthausen, Oostenrijk, vermoord.

Brief uit Mauthausen, 31 augustus 1941, aan de familie Redlich op de Stadionkade 135. Foto: JHM
Hans + Gerd v Halle rond 1934. Foto: familie-archief Von Halle

Ook Hans Jurgen Von Halle (20) uit de Herculesstraat 18 hs verstuurt op diezelfde 31 augustus 1941 zo’n nepbericht uit Mauthausen. “We kregen een voorgedrukte ansichtkaart van mijn broer uit kamp Mauthausen met zijn gevangenisnummer en baraknummer en later twee brieven. Gecensureerd. Aan de woorden zagen we wel dat hij die niet geschreven had,” vertelt zijn 1,5 jaar jongere broer Gerd Von Halle (1922-2012) (*1)

Peter, Hans en Gerd waren 3 van de 23 joodse jongens uit de Stadionbuurt die op 11 juni 1941 werden gedeporteerd, eerst naar kamp Schoorl in de duinen, daarna naar Mauthausen. In totaal zo’n 300 jongens uit Amsterdam die dag.
Het was de tweede grote razzia in de stad. Minder bekend dan de eerste razzia van 22, 23 februari 1941 rond het Waterlooplein die een grote staking onder gemeentepersoneel tot gevolg had. Toen werden 389 joden naar Mauthausen afgevoerd.

Mauthausen was een steengroeve in Oostenrijk, waar verzwakte gevangenen granietblokken van zo’n 50 kilo omhoog moesten zeulen over een ongeplaveide trap van 186 treden, die vanuit de steengroeve omhoog voerde naar het kamp. Velen vonden er de dood wegens uitputting, vielen van de trap of werden ervan afgegooid, of geëxecuteerd .
Daar op de trap, de trap der tranen” zal Mikis Theodorakis later bezingen in zijn Mauthausen-liederencyclus, “lopen Joden, partizanen, vallen Joden, partizanen, dragen rotsen op hun rug, als een kruis des doods“. Luister onderaan dit blog.

Mauthausen, in 1966 op strijdmuziek gezet door Mikis Theodorakis. Foto: Albert ten Cate

Een Duits-Joodse vrouw die aan de rand van de Stadionbuurt woonde, in een zijstraat van de Amstelveenseweg – de Valeriusstraat – beschrijft in haar dagboek de angst die ze heeft dat ook haar zoon Hans opgepakt wordt:

Woensdagavond (11 juni) kwamen de buren en ons nichtje Hilde ons waarschuwen dat Joodse jongemannen in de huizen, op straat, in cafés werden opgepakt. Ik leek wel verlamd. Weer ontsprong Hans de dans, maar hoelang nog? (-) Dit keer speelde het zich af in onze buurt, vooral de nieuwe Stadionbuurt waar veel Duitse emigranten wonen.(-) Ik was mijn stem een paar dagen kwijt, de schrik en de continue angst maken je geestelijk en lichamelijk kapot.”…(uit: – Deze ontspoorde wereld, Paula Bermann).

11 juni 1941

Gerd (Jerry) von Halle uit de Herculesstraat, 1990

Op 11 juni 1941 staan er twee mannen in bruine leren jassen op de stoep van Herculesstraat 18 hs met een namenlijst in hun handen. Ze sommeren Gerd Von Halle en zijn broer Hans mee te komen.
Ze woonden sinds 1934 in Nederland, eerst op de Zuider Amstellaan, de huidige Rooseveltlaan in de Rivierenbuurt; sinds mei 1939 in de Herculesstraat.

Gerd was 11 toen hij in Nederland aankwam en sprak net als zijn broer inmiddels vloeiend Nederlands. Vader Oscar Von Halle (1886-1944), een gevierd architect uit Hamburg, mocht na 1933 zijn vak niet meer uitoefenen in Duitsland. Emigratiepogingen naar de VS waren mislukt en aangezien zijn zus in Nederland woonde, vluchtten ze hiernaartoe. Zoals zoveel Duits- joodse mannen van zijn leeftijd had hij in de Eerste Wereldoorlog nog voor Duitsland in het leger gediend, maar nu was hij tot paria verklaard.
Het gezin verhuurde een kamer om nog enigszins een inkomen te kunnen hebben. Ook op de Herculesstraat, een kleine 3-kamer benedenwoning, stond nog iemand anders ingeschreven (*9).

Gerd en zijn broer Hans – met achter hen commanderend de Duitssprekende politiemannen – lopen gedwongen naar de Euterpestraat, de huidige Gerrit van de Veenstraat, aan de andere kant van het Olympiaplein, naar het hoofdkwartier van de Duitse Inlichtingendienst, de Sicherheitsdienst. Ze waren niet de enigen. Ze zagen vele bekenden.

Enige foto van 11 juni 1941 bij de SD in de Euterpestraat, de huidige G. Vd Veenstraat

Er werden die dag zo’n 300 voornamelijk Duits-Joodse jongens opgepakt, niet allemaal lukraak van de straat zoals in februari, maar vakkundig voorbereid, gepland, aan de hand van namen-en adressenlijsten. Een deel van deze Duitse jongens werd gelokaliseerd omdat ze net vanuit een ”Joods Werkdorp” in de Wieringermeer waren geëvacueerd door de nazi’s en sinds een paar maanden als vluchteling waren ondergebracht op adressen in Amsterdam-Zuid.

Het Joodse Werkdorp was in 1934 opgericht als een soort modelboerderij in de lege nieuwe Noord-Hollandse polder, waar jonge vluchtelingen een agrarische (omscholings)opleiding konden krijgen, als ze plannen hadden voor verdere emigratie elders, bijvoorbeeld als zgn. Palestina-pioniers (pas in 1948 werd de staat Israël opgericht).
De modelboerderij was in de jaren 30 een idee van de Stichting Joodse Arbeid en het “Comité voor Joodsche Vluchtelingen” (voorloper van de Joodsche Raad) om een deel van de vluchtelingenstroom na 1933 op te vangen.

Hans Von Halle, eenmaal in de rij van 300 in de Euterpestraat, porde zijn jongere broer Gerd, om te zeggen dat hij tuberculose had, zodat hij niet mee zou hoeven. Gerd, bang, gehoorzaamde zijn broer, maar In eerste instantie maakte het geen indruk, de hele groep werd diezelfde avond van 11 juni nog naar ‘Durchgangslager’ Schoorl gebracht.

GEEN STAKING DIT KEER

Het bleef akelig stil in Amsterdam, na deze tweede razzia. Er kwamen geen stakingsprotesten, zoals in februari 1941. De eerste razzia, uitgevoerd op straat, is de meest bekende. De tweede razzia, in Amsterdam-Zuid onder vooral Duitse Joden, is minder bekend. Het illegale Parool, dat toen nog een gestencild blaadje was, deed wel verslag van de nieuwe progrom in Amsterdam.

het illegale Parool bericht over de razzia van 11 juni 1941

Toch lukt het Gerd Von Halle onder voorwendsel van TBC om in Schoorl alsnog weg te komen. Een krankzinnig verhaal. Hij getuigt ervan in 1990 voor het Oral History-videoarchief van het United States Holocaust Memoral Museum (USHMM). Hier een videofragment m.b.t. Schoorl:

VIDEO: getuigenis: https://youtu.be/mJ3KglsRXNA Na de oorlog getuigt Gerd von Halle (Jerry in de VS) hoe hij vrijkwam door te zeggen dat hij tuberculose had. Zijn broer Hans werd echter vermoord in Mauthausen.

Een bevriende joodse arts Herman Hertzberger uit de Corellistraat, zijstraat van de Beethovenstraat, helpt de familie door de nazi’s meerdere brieven te schrijven over de vermeende TBC van Gerd (*2). Hertzberger is de vader van de latere beroemde architect Herman Hertzberger (1932). In diezelfde Corellistraat ging zoon Herman in de jaren 30 naar de Montessorischool, waarvandaan veel joodse leerlingen in de oorlog verdwenen zijn. In een komend blog over de razzia van 20 juni 1943 komen deze kinderen o.a. ter sprake.

ONDERDUIK

Het vluchtverhaal van Gerd Von Halle (Jerry, in de VS) leest en klinkt als een spannend jongensboek. Een verhaal, hoe ze na het doodsbericht van zijn broer Hans in 1941 op een dag gewoon de Herculesstraat uitliepen, zijn vader, moeder en hij en – apart van elkaar – op kamertjes van kleine Amsterdamse etages onderdoken, daarna op een boerderij in Zuid-Holland, waar ze verraden werden en zijn vader naar kamp Vught werd afgevoerd,

Zijn moeder en hij wisten daarbij op miraculeuze manier in een kast en achter een richel van de toilet en in de hooiberg te ontsnappen, terug naar Amsterdam, waar ze twee en een half jaar doorbrachten in een klein kamertje op de bovenetage van zijn schoolleraar. Hij beschrijft de paniek, die er uitbrak toen de vrouw van zijn schoolleraar op een dag stierf en er allemaal familie- en condoleancebezoek kwam, maar niemand dat kamertje is ingegaan, omdat ze stoelen voor die deur hadden gezet. (video: https://encyclopedia.ushmm.org/content/en/oral-history/jerry-von-halle-describes-hiding-in-amsterdam )

Over het lot van zijn vader zegt hij, in 1990:

We hebben zo’n zes brieven van hem gekregen, via de twee bovenbuurvrouwen uit de Herculesstraat (die hadden hun huissleutel, zaten in het ondergronds verzet en voorzagen hen in de onderduik van voedselbonnen/M.A.)
(-) Ik weet niet wat er met mijn vader is gebeurd, ik heb geen idee waar hij is doodgegaan. Van mijn broer weet ik tenminste nog dat hij in Mauthausen doodging”.

Oscar Louis von Halle (57) zou in Auschwitz sterven op 31 januari 1944. Hij wordt sinds dit jaar, samen met zijn zoon Hans, herdacht in het nieuwe, indrukwekkende, Nationaal Holocaust Namenmonument

Oscar en Hans Von Halle in het Nationae Holocaust Namenmonument.

De onderduikervaringen van jarenlang zonder buitenlucht lijken sprekend op het verhaal van Anne Frank. Allebei Duits vluchteling, allebei eerst in de Rivierenbuurt, allebei angstig voor elke kraak die de houten vloer kan maken op een Amsterdams bovenhuis. Maar Jerry’s verhaal is in wezen spectaculairder. Het is behalve een onderduikverhaal ook een krankzinnig vluchtverhaal. Een verhaal ook, hoe hij na de oorlog met zijn moeder eindelijk naar de VS kan emigreren, nadat ze bij de bevrijding in Nederland als Joods-Duitse vluchtelingen toch vooral als Duitsers werden beschouwd.

Zijn trotse kleinzoon Jeremy Von Halle (1988) schrijft er in 2011 op de universiteit een proefschrift over en wijdt er op WordPress een mooie website aan (*2). Schoolkinderen in Los Angeles hebben er in 2016 zelfs voor een schoolproject een (goeddeels onverstaanbare) rap van gemaakt:

schoolproject in 2016

Gerds grote levensverhaal in al zijn spannende facetten leent zich in feite voor een solo Jerry-blog of boek. Toch kies ik ervoor om zijn vluchtverhaal, ingeperkt, te plaatsen in het bredere kader van 11 juni 1941, om recht te doen aan de andere 22 jongens uit de Stadionbuurt.

22 vermoorde Stadionbuurters na de razzia van 11 juni 1941

H.-R. PfifferlingBerlin/ Achillesstraat 3714/10/4120j
Ernst HorwitzBerlin/ Achillesstraat 70-I hg09/10/4132j
W. PriesterBerlin/ Argonautenstraat 30-1 13/09/4121j
Heinz SafirBerlin/ Herculesstraat 3-Ihg19/09/4121j
H. J. von HalleHamburg/Herculesstraat 18 hs27/09/4120j
David v HasseltH.Jacobstraat 34 hs16/09/4123j
Sgfr. RosenthalDortmund/ Jasonstraat 811/09/4120j
Ernst PragerTichau/Wieringen/Olympiaplein17/09/4124j
S.M. ZwaapOlympiaweg 50 III hg15/09/4121j
Gerd RedlichHamburg/ Stadionkade 135 hs13/09/4119j
Hans WesselyWenen/ Stadionkade 142 -I hg14/09/4122j
Felix H ScheierBerlin/Stadionplein 69 II10/10/4121j
M. SternfeldRügenwalde/Stadionstr. 23-III16/09/4130j
Paul KatzLeipzig/ Stadionweg 55-II hg18/07/4119j
W. L.AuerbachElbing/ Stadionweg 109-III hg18/09/4122j
M. H, FreundBorgerhout/Stadionweg 119-I 27/06/4128j
John Hamme Stadionweg 130-II hg16/09/4119j
Kurt Stein Berlin/ Stadionweg 133 -II hg30/09/4120j
A. de WolffStadionweg 146 III14/09/4121j
Aldo CohenBerlin,/ Stadionweg 214-II25/06/4119j
Izaak PimentelV Tuyl v Serooskerkenweg 74 I12/09/4120j
W. FriedländerBreslau/vT v Seroosk.weg 90 hs11/09/4118j

STERFDATA

Ik kijk niet alleen naar de adressen uit de Stadionbuurt en de nationaliteiten (van de 22 zijn er 5 Nederlandse joden bij) maar ook naar de sterfdata. Dan valt op dat deze 22 jongens bijna allemaal in 8 dagen zijn omgekomen, tussen 11-19 september. Dat lijkt bijna niet toevallig. Zijn ze allemaal tegelijk van uitputting bezweken in de steengroeve? Of tegelijk van de trap gesmeten? Gefusilleerd?

Uit een recent onderzoek van historica Wally de Lang (*5) naar de eerste grote razzia in Amsterdam, van februari 1941, blijkt dat nabij Mauthausen in een kasteel, Slot Hartheim, er vanaf augustus ’41 geëxperimenteerd werd met vergassing van gevangenen. Nog voor de invoering van gaskamers elders.

Tentoonstelling met banieren: 389 Joodse namen van de eerste razzia. Van 11 juni 1941 zou ook zo’n overzicht mogen komen

De onderzoekster zag dat veel gedeporteerden van 22 februari, op bijna dezelfde datum dood waren gegaan.
Ook bij deze tweede razzia, nu in Amsterdam Zuid, vallen de sterfdata van de 22 Stadionbuurters op. En als ik ze vergelijk met de sterfdata van alle gedeporteerden op 11 juni 1941 (*3), zie ik dat 16, 17 en 18 september eruit springen. Op 16 september werden er 18 jongens uit deze junigroep vermoord, op 17 september 14 jongens en op 18 september twaalf. Hoeveel andere groepen gevangenen uit Mauthausen bij deze data nog opgeteld moeten worden, heb ik niet berekend.

Het lijkt aannemelijk om in het verlengde van het onderzoek van Wally de Lang voorzichtig te veronderstellen dat ook bij deze juni-groep vergassing een doodsoorzaak kan zijn geweest, naast de mogelijkheid van executie of val van de “trap des doods” in de steengroeve. (Ook zie je in bovenstaande tabel dat 1 buurtjongen vrijwel direct na aankomst vermoord is, Aldo Cohen op 25 juni 1941).

Enkele van de 22 vermoorde buurtgenoten, razzia 11 juni 1941

Balkonfoto van Martin Sternfeld en zijn vrouw (achter) en zus Edith. In de huidige Hestiastraat.

Martin Sternfeld (30, jurist uit Duits-Pools gebied) woonde sinds 1938 in de Stadionstraat – nu Hestiastraat – met zijn kersverse vrouw Malvina Jeschonek uit Zwitserland. Ze waren in Amsterdam getrouwd.
Zijn zus Edith was met haar broer naar Holland gevlucht en als inwonende dienstbode werkzaam op de Reiners Vinkeleskade, het verlengde van de Pieter Lastmankade, op loopafstand van de Stadionbuurt. Zij zal in Auschwitz sterven.

Op de foto de familie op het balkon in de Stadionstraat. Als Martin op 11 juni 1941 verdwijnt, zijn ze nog maar net 2 maanden daarvoor verhuisd van Stadionstraat 23 II naar Stadionstraat 9 I-hg, hun buurman wordt daar de beruchte Jodenjager Herman Olij, die samenwerkte met de nazi’s.

Martins Joodse vrouw schrijft zich op 1 juli 1941 meteen uit op dat adres en begint aan een onrustig zwervend bestaan (*9), in anderhalf jaar tijd verhuist ze formeel 4x, naar de Spuistraat, Patroclosstraat, en Westerscheldeplein – het huidige Europaplein, eerst nog onder hun beider naam, later onder haar eigen naam op de Leonardostraat – achter het Olympiaplein. Daarna verdwijnt ze van de radar. Uiteindelijk weet ze na de oorlog te emigreren naar de VS en sterft in 1994 (*10). Martin sterft in Mauthausen, 16-09-1941. Hij is niet de enige op die datum.

Stolpersteen voor Herbert Scheier

Van Stadionplein 69-II werd Felix Herbert Scheier (21) gedeporteerd op 11 juni. Op 10 oktober 1941 wordt hij vermoord. Sinds mei 2022 wordt hij met een Stolpersteen bij dit adres herdacht.
Hij was 18 toen hij met zijn moeder en stiefvader vanuit Berlijn in een pension in de Cliostraat terechtkwam, achter het Olympiaplein. Zijn ouders overleefden Westerbork, doordat de stiefvader als arts werd ingezet, ook later in kamp Bergen-Belsen. Op de grafsteen van zijn moeder in Vijfhuizen wordt Herbert ook herdacht. Zij overleed in 1956. (*13)

Voor Gerd Peter Redlich (19), de jongen van het kistje documenten in de kruipruimte op Stadionkade 135 hs, ligt een Stolperstein in Hamburg. Op 13 september 1941 sterft hij in Mauthausen na de razzia van 11 juni. “Auf der Flucht erschossen” krijgt zijn moeder Thekla Redlich (46) te horen. Vader Fritz (56) was een geëmigreerde Duits fabrikant. Zij beiden worden op 11 februari 1944 in Auschwitz vergast. Hun jongste zoon Günther komt “ergens in Midden-Europa” om, onbekend dus waar (*12).

Paul Katz (19) uit Leipzig sterft op 18 juli 1941 in Mauthausen. Zijn vader Wilhelm Katz (55) was directeur geweest bij de grootste Duitse ziektekostenverzekeringsmaatschappij, maar sinds 1933 ontslagen. In 1934 helpt hij in Nederland de eerste particuliere ziektekostenverzekeringsmaatschappij oprichten (*3). Zoon Paul maakte hier zijn schoolopleiding af, op het Vossiusgymnasium.
Het gezin, met zus Ruth en moeder Ida Katz-Hess (44), woonde op de Stadionweg 55 II hg. Beide ouders worden bij de grote razzia van 20 juni 1943 via het Olympiaplein gedeporteerd. In Westerbork plegen ze op 6 juli 1943 zelfmoord, als ze – ten onrechte – horen dat hun dochter via de onderduik is opgepakt en vermoord. Dat bericht bleek fout, Ruth overleeft de oorlog.

Over zelfmoorden van Joodse buurtgenoten en over de grote razzia van 20 juni 1943, waarbij 5542 Joden uit Amsterdam werden gedeporteerd, waaronder 126 Stadionbuurters, schrijf ik in volgende oorlogsblogs.

Stolpersteine bij de Humboldt-Universität Berlin, Unter den Linden 6. Fotorechte: Koordinierungsstelle Stolpersteine Berlin.

Ernst Horwitz, dr. in de Filosofie uit Berlijn, 32 jaar, runde vanaf 1938 onder de naam Halle een boeken-antiquariaat op de Achillesstraat 70 I-hg , waar o.a. de dichter Adriaan Roland Holst klant was (*3). Zelf schreef Horwitz toneelstukken en publiceerde gedichten.
Hij had eerst met zijn gezin ingewoond bij iemand anders uit Berlijn, op de Parnassusweg.
Zijn vrouw Anja Horwitz-Kahn uit Riga wordt exact 2 jaar later, 11 juni 1943 in Sobibor vergast. Hun in Amsterdam geboren zoontje Thomas overleeft via de onderduik. Dr. Ernst Horwitz wordt bij de universiteit in Berlijn herdacht. Daar liggen zo’n 20 Stolperstenen.

Foto: Nationaal Archief

Hans Emil Wessely (22) uit Wenen is één van de 59 jongens uit het Joodse Werkdorp Wieringermeer, die uiteindelijk van de lijst van 11 juni 1941 werden geplukt. De anderen waren niet thuis.
Na de Kristallnacht in november 1938 was hij via Dachau vrijgekomen, onder voorwaarde dat hij Duitsland zou verlaten. Hij was wiskundig aangelegd, maar liet zich omscholen tot smid in de Wieringermeer.
Na sluiting van het vluchtelingenwerkdorp in maart 1941 kon hij terecht bij een Duits-Nederlandse familie SchöndorffMeijers op de Stadionkade 142 I hg. (*3 +*7). Dit gezin met zoontje Robbert van 4 jaar wordt in 1942 in Auschwitz omgebracht. Hans Wessely sterft in Mauthausen op 14 september 1941.

Ernst Prager, (24) kon nadat de nazi’s het Joodse werkdorp in de Wieringermeerpolder geëvacueerd hadden, bij een Nederlands gezin terecht op het Olympiaplein. Hij was in 1939 als communistische Duits-Joodse vluchteling aan de slag gegaan als slotenmaker, maar had contact met politiek actieve jongeren in Amsterdam (*4). De eveneens communistische Joodse Mirjam Ohringer (1924 – 2016) getuigt op video later en in het boek “Tweeduizend getuigen vertellen”, een project van het Joods Historisch Museum en de USH Shoah Foundation. Zij was ook van Duitse origine en bracht het illegale dagblad De Waarheid rond.

Foto: JHM

“In mijn verzetsgroepje zat een jonge Duitse Jood, Ernst Prager, die in 1936 in Berlijn gepakt was voor het verspreiden van pamfletten. In het begin hadden we alleen oogcontact, want ik was 15 en hij 22. Later werd onze relatie intenser, maar daar sprak ik met niemand over. Op 11 juni 1941, die dag vergeet ik nooit, gingen we samen de stad in.”

Toen ’s avonds 11 juni Ernst niet kwam opdagen op een afspraak, haastte ze zich naar het Olympiaplein: “Ik ben op de fiets gesprongen en heb Ernst overal gezocht, maar hij was er niet meer”.
Hij was -en bleef – haar jeugdliefde. Haar lange leven lang. Zij overleefde de oorlog via de onderduik. Later werd zij lid van het Internationale Mauthausen Comite en secretaris, voorzitter van de Stichting Vriendenkring Mauthausen, die er ook voor heeft gezorgd, samen met de gemeente Bergen, dat er een herdenkingsmonument voor kamp Schoorl is gekomen. Ernst Prager sterft in Mauthausen op 17 september 1941.

MAUTHAUSEN-LIEDEREN

Oh kameraad, help me de trap op te komen”, klinkt het strijdvaardig in het Grieks, in de jaren zeventig. Mikis Theodorakis componeerde muziek op poëzie die op Mauthausen was gebaseerd. Poëzie over “de trap der tranen” en “de steengroeve der smart“, geschreven door een Grieks-Joodse ex-gevangene van Mauthausen, de dichter Kambanellis. De Mauthausen-liederencyclus klonk in de jaren 70 als een strijdlied voor vrijheid. De Grieken, die toendertijd een militair juntabewind hadden, zongen het in die jaren luidkeels met Maria Farantouri mee:

3 + 4 mei 2022

Op 3 mei 2022 hebben we 21 Stolpersteine bij zes trapportieken op het Stadionplein gelegd. Bijgaand de foto-en videoreportage van de plaatsing en de plechtigheid op 4 mei in het bijzijn van vijf nabestaanden: er werden witte rozen bij de stenen gelegd, bij elk van de zes adressen waren de levensverhalen te horen van de gedeporteerde Joodse buurtbewoners, we lazen fragmenten uit brieven uit Westerbork voor (“Netty is bewonderenswaardig flink. Vaarwel en hopenlijk tot spoedig weerziens”) en er was jiddische muziek. Kijk en luister online.

Stadionplein 8, laatste adres van de Duits-Joodse familie Schalscha-Glaser. Ar Nederhof van Stadsdorp Olympia overlegt met An Huitzing van Stichting Stolperstenen. Een belangstellende buurman (links) komt kijken naar het werk van de stratenmakers
3 mei : de mannen van de Gemeente leggen de Stolperstenen

Ontroerende jiddische zang en muziek bij het laatste adres van Rosa en Gretel Gottlob en het inwonende echtpaar Julius en Anna Mainzer op Stadionplein 23 III hg. Het horen van de jiddische taal, de klanken, bracht de verhalen dichtbij. Dichterbij kon bijna niet.

Zangeres Marjanka Sierevelt
Een nabestaande van Rosa en Gretel Gottlob, Stadionplein 23-III, mevrouw Fon Zwart-Wolff, legt bloemen op 4 mei
Hans Davidson (links) nabestaande van Rebecca en Saartje Davidson
Een steen voor de alleenwonende kostuumnaaister Clara de Jongh, Stadionplein 43 I-hg
VIDEO: https://youtu.be/H1RkrQNyEzI 
Een jiddisch lied bij het trappenhuis waaruit zowel de Duits-Joodse familie Mayberg-Meyer van no.67 met hun vieren is weggevoerd in 1943, als ook de 21-jarige Felix Herbert Scheier van no. 69-II hg op 11 juni 1941, tijdens de tweede grote razzia in Amsterdam. Uit de Stadionbuurt die dag werden 21 Duits-Joodse jongens naar Mauthausen gedeporteerd, in de hele stad die dag zo'n 300.
Felix Scheier, Stadionplein 69 -II hg

Op Stadionplein 73, op de hoek tegenover het huidige pompstation, legt de nicht van Alfred Abas – mevrouw Elly Abas – op 4 mei bloemen neer voor haar vermoorde oom, tante Jeannette Abas-Swaap, nichtje Willy (14) en neefje Rudolf (12). “De kinderen houden zich flink,” schrijft Jeannette Abas vanuit Westerbork. ” Rudy is erg stil en klampt zich aldoor aan ons vast. Hij wil zoveel mogelijk bij ons zijn”.

Bij de plaatsing van de Stolperstenen op 3 mei vroeg een buurvrouw – kind van een joodse moeder – of zij het water over de stenen mocht uitgieten. De twee stratenmakers respecteerden haar wens.

Het was een ontroerend moment. Het leek wel een zegening.

Mevrouw Elly Abas, enige nabestaande van dit gezin dat op de hoek van Stadionplein 73 een tabakszaak had: ” Ik blijf uitgaan van het goede in de mens”. Dappere woorden. Ook uit de Amazonenstraat, achter het Stadionplein, werden familieleden van haar vermoord, evenals haar oma uit de Corn. Krusemanstraat in de Stadionbuurt.

Emailweergave oorlogsserie

De email-weergave van mijn laatste blog “Een plein in oorlogstijd” is allerbelabberdst. Ik wil mijn emailvolgers vragen op de titel van het blog te klikken en mijn blog online te lezen. Alleen dan komt dit blog tot zijn recht, met video en muziek en de vele foto’s bij mijn tekst.

Juist omdat het een hele serie blogs, i.p.v. een boek, gaat worden onder de titel WIJ WAREN HIER, die ik uitbreng over de Joodse geschiedenis van de Stadionbuurt vraag ik dit mijn emailvolgers. Klik op de titel, en Go Online. Lees mijn blog niet in de mail. De emailweergave doet geen recht aan mijn online-blog.

Met dank.

Plein in oorlogstijd

Ik herinner me de Duitse accenten, de liedjes (-) Wien, Wien, nur Du allein” schrijft een online-bezoekster van het Joods Digitaal Monument (*1) over de sfeer in de cafés op het Stadionplein rond 1940, De Duits-Oostenrijkse buurtbewoners met hun cabaretliedjes waren Joodse vluchtelingen uit de jaren 30 en bevriend geraakt met haar oma op het Stadionplein. Haar vader speelde piano in het café op de hoek; waar nu een Aziatische bistro is.

Ik herinner me alleen het geluid van zware soldatenlaarzen en het Bomber Command van de RAF dat overvloog,” schrijft Bert Themans me, die als peuter op de Stadionkade de oorlog overleefde, als kind van gemengd joods-christelijk ouders. Zijn Joodse vader had als zakenman begin jaren ’30 een schoenenfabriek in Duitsland gehad, was in 1939 in Nederland hervormd getrouwd, ging ook de financiën regelen later voor de Willem de Zwijgerkerk op de Olympiaweg, hoewel religie in het gezin “heel onbelangrijk” was.

En Cor Jongkind (1929-2020), oud-electricien en kleinzoon van de toenmalige hoofdopzichter van het Olympisch Stadion die destijds in het Portiershuisje woonde, herinnert zich voor de camera’s van AT5, 4 mei 2019, hoe hij als kind in het stadion speelde: “Er stond een wacht voor de poort van het stadion“. (*2)

Duitse militaire voertuigen op de Amstelveenseweg ter hoogte van de St Agneskerk, mei 1940, Intocht van Duitse troepen in Amsterdam. Foto: Stadsarchief.

Dit blog gaat over het Stadionplein in oorlogstijd, deel 1 van een serie oorlogsblogs over de Stadionbuurt, die ik – voorjaar 2022 – start onder de titel: WIJ WAREN HIER.
Een blogserie over de ruim 1100 Joodse buurtbewoners die in de oorlog vermoord zijn, zo’n driekwart van de Joodse buurtbevolking, Wie waren zij?

Zelfs 1206 zijn er vermoord, als ik de héle Stadionweg en héle Stadionkade meereken: lange straten die deels in de Beethovenbuurt doorlopen. Bijna de helft van deze Joodse vermoorde buurtbewoners was vluchteling, 560 van de 1206: Joden uit Polen, Joden uit Duitsland en Joden uit Oostenrijk. Ost-Joden werden ze wel genoemd.
Deze week worden er 21 Stolpersteine op het Stadionplein gelegd, herinneringsstenen in messing. Van deze 21 waren er 14 vluchteling.

Lijst 7 van de NSB kreeg in de Stadionbuurt in 1935 veel stemmen tijdens de Provinciale Staten-verkiezingen. (BeeldbankWO2, collectie NIOD, april 1935: Stadionplein)
Er waren ook heel wat bewoners in de Stadionbuurt lid van de NSB. Het Amsterdams Stadsarchief bracht in 2017 per woonblok in kaart hoeveel NSB-leden er waren. In het woonblok Stadionplein/ Stadionkade/Argonautenstraat/ Jasonstraat bijvoorbeeld 21.

Het is middenin de oorlog, 11 augustus 1941, als op de Amstelveenseweg Maison FEBO als bakkerij opent, ter hoogte van de Karperweg. De banketbakker, voor wiens ragoutpasteitjes men in de rij staat, groeit later uit tot de bekende krokettenautomatiek FEBO in Amsterdam, genoemd naar de Ferdinand Bolstraat, waar de bakkerij oorspronkelijk had willen openen.

Bakkerij FEBO opent in augustus 1941 op de Amstelveenseweg. Foto: Febo.nl

Een maand eerder, juni 1941, wordt vanuit het Olympisch Stadion de avondvierdaagse gelopen, ruim drieduizend wandelaars lopen twintig kilometer en worden na afloop feestelijk onthaald in het met vlaggen versierde stadion.

Avondvierdaagse, juni 1941, hoek Stadionplein. Beeld: Stadsarchief

Het is dezelfde maand van de eerste razzia’s in Amsterdam. Op 11 juni 1941, de tweede razzia (minder bekend dan de eerste in februari 1941) worden 20 Joodse jongens uit de Stadionbuurt van huis opgehaald en gedeporteerd naar het werkkamp Mauthausen in Oostenrijk. In totaal in Amsterdam die dag zo’n 300 Joodse jongens.

De 21-jarige Felix Scheier is er één van, een jongen uit Berlijn die in 1938 met zijn moeder en stiefvader op Stadionplein no. 69 -2hg was komen wonen. Ze vormden één van de vluchtelinggezinnen, waarvan de Stadionbuurt er vele kende en hadden eerst een paar maanden op kamers gewoond in een pension in de Cliostraat, achter het Minervaplein .
Ook hun buren op 1-hg, de uit Duitsland gevluchte familie Mayberg-Meyer met hun 13-jarige zoon Falk en grootmoeder Albertine, hadden tot eind 1937 in dat pension eerst op kamers gewoond.

De Maybergs en Felix krijgen ter herdenking Stolperstenen, het zijn er vijf voor één trapportiek. De dood van Felix in Mauthausen, 3,5 maand na de razzia, bespreek ik in een apart blog over deze razzia, waarbij één buurtjongen uit de Herculesstraat op spectaculaire wijze wist te ontsnappen.

Kurt Jacobowitz, Pools vluchteling, woont met zijn moeder Fanny op het Stadionplein tot 1941, trouwt in juni 1942 een Duits-Joodse uit de Tintorettostraat – zijstraat van het Olympiaplein – en verhuist naar de Van Tuyl van Serooskerkenweg 2. Op de foto: moeder Fanny Jacobowitz en de moeder van de bruid, uit de Tintorettostraat.
Alle vier mensen van deze foto overleven de Holocaust niet.

Ondertussen wordt er ook getrouwd. En weer verhuisd. De Poolse weduwe Fanny Jacobowitz woont als Joods vluchteling tijdelijk op Stadionplein 23-II hg met haar zoon Kurt, een bankbediende. Kurt trouwt in 1942 een buurtgenote, een Duits-Joods meisje Alice uit de Tintorettostraat, een zijstraat van het Olympiaplein, waarvan ik niet weet hoe ze elkaar kenden.
Hoe vrolijk het er aan toeging op zulke Joodse bruiloften middenin de oorlog kun je je afvragen. Werd er traditionele klezmer-bruiloftsmuziek gespeeld of misschien een Pools jiddisch lied gezongen? Of was het een intiem samenzijn? Met hoeveel mensen hadden ze contact gemaakt na hun vlucht naar Nederland? Ik zie een bruiloftsfoto met veel bloemen. Chique bontkraagjes. En een Jodenster.
Niemand van deze bruiloftsfoto overleeft de Holocaust.

beroemd Pools jiddisch lied uit de jaren 30

De Jacobowitzen kwamen uit Silezië – een Pools gebied dat de nazi’s geannexeerd hadden. Een Midden-Europees gebied tussen Duitsland en Polen in, dat al eerder Duits, dan weer Pools was geweest, met ook veel Duitstaligen erin. Bijna vergelijkbaar met huidig Oekraïne, dat door de jaren heen – in een eeuw tijd – onderdeel is geweest van Polen, Litouwen, Duitsland en Rusland.

Er woonden meerdere vluchtelingen uit dit Midden-Europese Silezië in de Stadionbuurt, waaronder de Duits-Joodse familie Schalscha-Glaser op Stadionplein 8 – de huidige Laan der Hesperiden no. 8 – voor wie we vijf Stolperstenen leggen bij het portiek naast de Aziatische bistro. Kenden zij hun streekgenoten, de Jacobowitzen op Stadionplein 23-2hg? Of de mevrouw uit Breslau op nummer 3 2hg, die in 1941 verhuiste naar elders? Gingen ze met Kurt om, toen hij in 1941 op de Van Tuyl van Serooskerkenweg, om de hoek, ging wonen? We weten het niet.

OPGEHAALD DOOR NEDERLANDERS

Het echtpaar Schalscha-Glaser met puberdochter Sibylle, en hun inwonende zus en oude moeder worden opgepakt in februari 1943 door Andries Riphagen, de beruchte Nederlandse premiejager over wie een intrigerende Nederlandse filmserie is gemaakt.
Riphagen werkte samen met de Duitsers en de Colonne Henneicke, een groep Nederlandse ex-werklozen die – via het Arbeidsbureau – in dienst van de Duitsers waren gegaan en vanuit hun kantoor bij de SS in de huidige Gerrit van de Veenstraat -zijstraat van het Olympiaplein -Joden ophaalden, chanteerden en hun huizen leeghaalden.
Dit overkwam ook het Nederlands-Joodse gezin Abas van Stadionplein 73, die op de hoek tegenover het huidige benzinestation een sigarenzaak hadden.

Links op de hoek de sigarenzaak van Stadionplein 73 hs. Rechts de Stadionkade, het huizenblok is van 1931, de boompjes zijn nog jonge aanplant. Het gezin Abas kwam er in 1939 wonen. Foto: Stadsarchief

Alfred en Jeannette Abas-Swaap worden met hun twee kinderen Willy en Rudolph halsoverkop opgehaald door de Colonne Henneicke. Tijd om veel spullen in te pakken, krijgen ze niet. Vanuit Westerbork schrijft Jeannette aan een vriendin hoe ze daardoor vooral praktische dingen mist als extra ondergoed of aspirine. Haar laatste woorden in de brief, voordat ze naar Sobibor worden gedeporteerd, zijn pijnlijk hoopvol:

Pieker s.v.p. niet om ons, wij moeten er door. En het lukt misschien wel”

Leden van de Colonne Henneicke trokken vaak in de leeggekomen huizen. Zo kwam één van hen in 1942 in een leeggehaald huis in de Jasonstraat te wonen, pal achter het Stadionplein. Toen hij op een dag in de Argonautenstraat, om de hoek, Joodse buurtgenoten ging ophalen, kreeg hij ruzie met protesterende buren op straat.
Wat een rotbaan hebben jullie toch” had een buurtgenote hem op straat toegebeten.
Wij moeten toch ook eten,” had zijn collega teruggeroepen, waarop de buurvrouw had gesnauwd:
Dan vreet je maar niet!”. (*5)

OLYMPISCH STADION

Fietsenvordering. In 1942 moeten Amsterdammers hun fietsen inleveren, naast het Olympisch Stadion. Foto’s: Niodbeeldbank.

Temidden van dit alles is er in 1942 gewoon kermis op het Stadionplein en zijn er foto’s en videobeelden (*3) van een sportende atlete Fanny Blankers-Koen op het Olympiaplein in 1942 , die daar oefent voor haar latere Olympische sprintrecords.
Alle Amsterdammers moeten eind juli 1942 hun fietsen inleveren aan de noordkant van het Olympisch Stadion, aan de kant van het huidige Olympisch Kwartier. Deze verordening had eerder alleen voor Joden gegolden.

In juni 1942 is er op het Stadionplein kermis. Foto: Weekblad De Week

Op 30 augustus 1942 behaalt Fanny Blankers-Koen op het Olympiaplein een wereldrecord op de 80 m hordenlopen. Athletiek districts-kampioenschappen/Sintelbaan. ANPFOTO/VAN BILSENN NLD-420830-AMSTERDAM

Het dagelijkse leven moest vooral gewoon doorgaan, vonden de nazi’s. D.w.z.: voor de niet-Joden dus, bedoelden ze. “Wer Sport treibt, der sündigt nicht“, zei Seyss-Inquart eens (*6/*7), de hoogste nazi-bestuursambtenaar in Nederland, vanuit die functie verantwoordelijk voor de deportatie van de 102.000 Joden vanuit Nederland.
Er wordt dus gewoon gesport, het geeft de mensen afleiding. In het Olympisch Stadion zijn er voetbal- en bokswedstrijden met veel publiek, soms te midden van geüniformeerde Duitsers. Soms houden de nazi’s hun eigen wedstrijden.

midden: Seyss-Inquart en in het zwart daarnaast de Nederlandse NSB-topman Mussert in het Olympisch Stadion bij een sportwedstrijd. Foto: Beeldbank.

Het stadion had “een zakelijke relatie” met de nazi’s en de Nederlandse nationaal-socialisten, schrijft sporthistoricus Jurryt van de Vooren(*4) . De Duitsers waren er klant. En huurden het voor diverse doeleinden.

Twee Joodse stadionbestuurders werden, op last van Seyss-Inquart, in 1941 ontslagen. Eén van hen kwam in Westerbork om. De ander kwam na de oorlog als commissaris in het stadionbedrijf terug.
In de herinnering van de eerder genoemde Cor Jongkind, kleinzoon van de toenmalige opzichter van het stadion, stond er ook een Duitse militaire wacht op het Stadionplein, voor de ingang van het stadion.

Vermoedelijk moet dat dan na 17 juli 1943 zijn geweest, toen de nazi’s aan de achterkant van het stadion, de Schinkelzijde, vliegtuigonderdelen hadden opgeslagen van de – door hen geconfisqueerde – Fokkervliegtuigfabriek uit Amsterdam-Noord, nadat de geallieerden tot 3 maal toe – en deels vergeefs – de Fokkerfabriek hadden proberen te bombarderen, waarbij toen – wegens misrekeningen – honderden burgerslachtoffers in Noord zijn gevallen.

Die vliegtuigonderdelen in het stadion werden bewaakt door Duitsers met herdershonden, herinnert Jongkind zich. Tegelijkertijd werden 8 familieleden van hem in 1944, uit vrees voor razzia’s voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland, tijdelijk ondergebracht in een loze ruimte boven de ingang van het stadion. Onderduikers, rechttegenover de nazi’s dus.

Onderwijl worden er over vijf oorlogsjaren heen verspreid ruim 1100 joden uit de Stadionbuurt vermoord. Sommigen daarvan pleegden aan het begin van de oorlog zelfmoord. Er zijn navrante verhalen over te vertellen.
Het is een buurt wiens naam afstamt van het sportstadion, dat architect Harry Elte (1880-1944) er in 1914 had neergezet. Ook hij was buurtbewoner, woonde op de Stadionweg. Ook hij was Jood. Ook hij overleefde de Holocaust niet.

De Stadionbuurt in stippen, detail van de Amsterdamse Stippenkaart uit 1941. Elke stip staat voor 10 Joodse bewoners. Links ligt het Olympisch Stadion.
  • 21 Stolperstenen op het Stadionplein
  • Laan der Hesperiden 8, vijf stenen voor de Duitse familie Schalscha- Glaser uit Pools bezet gebied; de 16-jarige dochter Sibylle en haar moeder Henny overleven diverse concentratiekampen en emigreren na de oorlog naar Brazilië.
  • Stadionplein 23 3hg, twee stenen voor moeder Rosa en dochter Gretel Gottlob uit Duitsland en twee voor het inwonende oudere Duitse echtpaar Julius en Anna Mainzer-Lederer.
  • Stadionplein 29 1hg, twee stenen voor twee Nederlands-Joodse ongetrouwde vrouwen: Catharina Frankfort en haar dienstbode Rebecca Davidson, wiens inwonende zus Saartje in 1942 overleed.
  • Stadionplein 43 I hg, een steen voor de alleenwonende kostuumnaaister Clara de Jongh, die naar het Joodse getto in Noord moest, wiens zus naar Frankrijk wist te vluchten.
  • Stadionplein 67 -I hg, vier stenen voor het Duitse gezin Mayer met hun zoon van 13 en hun inwonende oude moeder
  • Stadionplein 69 -2hg, 1 steen voor de 21-jarige Duitse Felix Meyer.
  • Stadionplein 73 hs, vier stenen voor het Nederlandse echtpaar Abas van de tabakszaak op de hoek, met hun twee kinderen van 14 en 12
  • Zie ook mijn eerdere oorlogsblog uit 2020:

IJs en weder dienende

Olympische vlam van de Canadese sneeuwbeeldhouwer Peter Vogelaar, zoon van Nederlandse emigranten, Québec Winter Carnival, 2003

IJs en weder dienende”, zei de moeder van mijn moeder vroeger, als iemand een afspraak met haar wilde maken. Ze bedoelde: “als het ijs goed is en het weer meewerkt”, iets wat je niet kunt plannen, niet kunt voorspellen, we zullen moeten afwachten, het is in Gods handen. Inshallah.

Ik moet daar vaak aan denken, aan die ouderwetse uitdrukking, als ik weer ‘es op de buienradar kijk. “Er staan 3 regendruppels voorspeld om 13 uur…”. Mijn moeder trok daar dan een raar gezicht bij, als ik dat zei. Alsof een mens per uur weet, ja wíl weten, wat haar boven het hoofd hangt. Alsof dat überhaupt kán in het leven.

Leven is als sneeuw, je kunt het niet bewaren,” zingzegt Herman van Veen ergens in een lied. De tekst wordt wel als rouwgedichtje gebruikt. De zin die erna komt, luidt dan: “Troost is Dat jij er was. Uren, maanden, jaren.”

De vluchtige tijdelijkheid van “materialen” als ijs en sneeuw spreken de 68-jarige Canadese professionele kunstenaar Peter Vogelaar, die bovenstaande Olympisch vlam in sneeuw in 2003 maakte voor het jaarlijks Canadese sneeuw- en ijsfestival Quebec Winter Carnival, juist aan.

IJssculptuur tijdens de Olympische Winterspelen in Sotchi, 2014

Aan een Canadese krant vertelde hij, dat hij onder tijdsdruk het werken met kwetsbare, vluchtige materialen als sneeuw en ijs, maar ook met zand, eigenlijk altijd als een soort sport ziet.

I’ve always thought of it as a semi-sports event,” he says. “You have to be physical, you’ve got to be fast, you’ve got to be creative. A lot of artists don’t like working in those circumstances. I like pressure and I just like the instantaneousness, when you realize in 48 hours you’re going to make a 15-foot sculpture that looks like it’s been around for years. You get people saying ‘wow’ all the time.

“I like that part too.”

Sneeuwsculptuur tijdens de Winterspelen in Korea, 2018, van een ski-ster die met vleugels de helling afsuist, 100 m breed en 30 m hoog, op een jaarlijks terugkerend “Harbin International Ice and Snow Sculpture Festival” in China, het grootste sneeuw- en ijsfestijn ter wereld.

Vogelaar heeft voor de Olympische Winterspelen in Nagano, 1998 en Salt Lake City 2002 en Turijn, 2006 diverse sneeuw- en ijssculpturen mogen neerzetten en won er namens Canada prijzen mee.

Sinds 1988 in Calgary is sneeuw-en ijsbeeldhouwkunst bij de Olympische Winterspelen ondergebracht, niet als Olympische sport, maar wel als een Culturele Olympiade, een kunstwedstrijd waarin medailles zijn te winnen.

Peking, 2022: een ijl, subtiel design van een grote sneeuwvlok met led-lichtjes voor de chaudron – de Olympische vuurketel . Er binnenin een piepklein vuurtje: daar brandt dit jaar gedurende de Spelen het olympisch vuur, ter grootte van een fakkel
temidden van witte led-lichtjes brandt in de sneeuwvlok een Olympisch vuurtje

Sneeuw stond als symbool ook centraal tijdens de Openingsceremonie op 4 februari 2022 van de Olympische Spelen in Peking. De cauldron – de vuurketel waarin twee wekenlang tijdens de Spelen het Olympisch vuur brandende moet worden gehouden – is dit jaar een grote sneeuwvlok van ledlichtjes met daarin een kleine vlam. De cauldron is andere jaren wel eens minder ijl geweest. Het is prachtig als je die ketels met elkaar gaat vergelijken, het zijn kunstwerken op zich.

In een eerder blog “Olympic Art Design” , tijdens de Spelen in 2018 beschreef ik al hoe kunst en sport tijdens de Spelen met elkaar verweven zijn. Op mijn site Face to Face Olympisch Kwartier liet ik met film en beeld zien hoe elke vier jaar kunstenaars, architecten, schilders en tekenaars, beeldhouwers, design- en kledingontwerpers betrokken zijn: https://marionalgra.wordpress.com/2018/02/07/olympic-art-design/

hierboven: blog over Olympische kunstwerken, hieronder: cauldron en fakkel uit 2020

In 2020 plaatste ik op mijn Face to Face Olympisch Kwartier-pagina op Facebook diverse foto’s van het Japanse kersenbloesempark in het Amsterdamse bos, om te illustreren hoe de rozegoudkleurige Olympische fakkel voor de Zomerspelen in Tokyo dat jaar – plus de grote witte vuurketel in het stadion die zich openvouwde als een bloem – geïnspireerd waren op de vorm en kleur van de roze en witte kersenbloesem.

CHINA: WATER ELEMENT

Dit jaar in China is het anders. Allereerst is het voor de Chinezen sinds deze week, 1 februari 2022, het Jaar van de Watertijger, een Chinees Nieuwjaar dat over de hele wereld wordt gevierd en deze week op een expositie van ijssculpturen in Helsinki, in Finland, als volgt met bevroren tijgers wordt uitgebeeld:

Die watertijger is een astrologisch sterrenbeeld, dat voor het hele jaar 2022 geldt, niet zoals bij ons een horoscoop voor een maand. De Chinezen hebben andere horoscoopdieren en ook een andere jaarindeling, met maancyclussen die ongeveer 29 dagen duren, dus hun nieuwe jaar valt anders dan bij ons. Tijdens het Chinese nieuwjaarsfeest zoeken normaliter Chinezen elkaar op en eren ze ook hun voorvaderen. Het leven strekt zich bij hen niet over één leven uit. Sterven bestaat eigenlijk niet in het boeddhisme.

Behalve de tijger en het element water staan ook “ijs en vuur” als thema centraal tijdens de Winterspelen. De kleuren metaal-rood en wit-zilver van de Olympische fakkel symboliseren dit jaar het vuur en het ijs, lees ik bij de Chinezen. Ik geloof het zomaar. IJs en vuur. Het Olympisch vuur was in oktober 2021 in het dorp Olympia, in Griekenland, volgens traditie aangestoken en in een fakkelestafette naar China gebracht.

Olympia, Griekenland, oktober 2021. De roodwitte Olympische fakkel wordt aangestoken.

Er is wel iets bijzonders nog met die vuurfakkel.

De Olympische fakkel dit jaar lijkt op twee in elkaar gedraaide linten – een rode en een witte – en is qua design rechtstreeks voortgekomen uit de roodmetallic vuurketel die China in 2008 gebruikte in het Olympisch Stadion, toen Peking ook al de Spelen organiseerde. In die vuurketel van toen zat dezelfde draai, als nu in de fakkel.

Chaudron in 2008, diende als voorbeeld voor het design van de fakkel in 2022

Die rode cauldron was toen heel wat forser dus dan de subtiele sneeuwvlok als vuurketel nu. China gooit dat verschil in 2022 op zuinigheid voor het klimaat, maar dat soort “kijk mij ‘es deugen”- propaganda is aan mij niet zo besteed .

In 2008 was de fakkel overigens ook roodwit – China heeft wel iets met rood, zullen we maar zeggen – maar qua design was ie anders dan nu.

UNIVERSUM

Die spiraalvorm en de 2008-fakkel – met een design van in elkaar draaiende ronde wolken – waren geïnspireerd op het idee van het oneindig in en om elkaar draaiende universum, zo lees ik terug.

fakkel 2022

In 2022 draaien de rood-wit in elkaar gedraaide metallic linten in de nieuwe Olympische fakkel wederom als spiraal om elkaar heen. Opnieuw de echo van het eeuwig draaiende heelal. Wat ook wel past bij de boeddhistische cultuur van China. Ook op de voet van de fakkel: weer getekende ronde wolkjes, dit keer met sneeuwvlokjes erbij.

Middenin de sneeuwvlok als cauldron brandt een simpele fakkel als Olympisch Vuur deze weken.

De vergankelijke vluchtigheid van ijs en water en vuur ( “het leven is als sneeuw”) verbonden met de eeuwigheid van het heelal, bedenk ik zomaar. Waarbinnen het leven zich in concentrische cirkels herhaalt. Keer op keer. Zonder sterven.

Ja, er wórdt over nagedacht, zullen we maar zeggen. Tot in de medailles aan toe. Vijf cirkels die om elkaar heen draaien. Vijf Olympische ringen.

Nu nog winnen. IJs en weder dienende.

❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄❄
Willem-Alexander, als prins nog in 2004, bij de Marathontoren van het Olympisch Stadion in Amsterdam, naast Olympisch zwemkampioene Inge de Bruin met de Olympische fakkel van 2004. Links: Erica Terpstra van het Nederlands Olympisch Comité, rechts: de toenmalige Amsterdamse wethouder voor Sport, Hester May. (Foto: M.Algra)

De Olympische fakkel deed dat jaar op weg naar de Zomerspelen in Athene ook Amsterdam aan als pleisterplaats tijdens de fakkel-estafette.
In 1928 brandde in deze marathontoren tijdens de Olympische Spelen voor het eerst Olympisch vuur. Dit is ónze cauldron. Amsterdam had de primeur. –

Voorbij Indisch zwijgen

De kleinzoon van drie Indische grootouders en de kleindochter van een Molukse grootvader slaan de handen ineen. De derde generatie nazaten van een koloniaal verleden, met gemengd bloed, zoeken elkaar op. “Het moet er niet toe doen hoeveel liter Europees bloed je in je aderen hebt, hoeveel druppels Indonesisch bloed, Indonesisch-Chinees bloed, of je Papoea bent, hoe wit je bent, of je 2 of 3 Indische (groot)ouders hebt, of een Molukse grootvader: niemand hoeft zich méer te voelen, dan een ander.”

Eerste Dekoloniale Indië Herdenking in Amsterdam, 16 augustus 2021

Dat was de strekking gisteravond op 16 augustus 2021 bij het Indië-Nederlandmonument – het voormalige koloniale Van Heutszmonument – in Amsterdam op een historische bijeenkomst, waarbij Indische, Molukse en Indonesiche sprekers van 3 generaties zich verenigd hadden op de allereerste gezamenlijke #Dekoloniale Indië Herdenking in Nederland.

Opvallend aanwezig: veel jongeren, twintigers en dertigers, die opgroeien in een stad en op scholen met een veelvoud aan culturen, een veelvoud aan kleuren. En die het voortouw nemen om de traditionele Indiëherdenking van 15 augustus te verbreden, waarbij jaarlijks het leed van Nederlanders en Indo’s in de Jappenkampen wordt herdacht. En het einde van WO2 in Nederlands-Indië.

Lara Nuberg, historica, documentairemaakster, 16 augustus 2021, Olympiaplein

Maar of je (groot)ouders in een Jappenkamp hebben gezeten tijdens WO2, “buitenkampers” waren door hun kleur of slachtoffer waren van de Bersiap-revoltes van Indonesiërs: of dat er familieleden zijn vermoord  in de Onafhankelijkheidsoorlog die erna kwam: het vond allemaal plaats in eenzelfde koloniale context van het oude Nederlands-Indië, betoogden de sprekers op 16 augustus.

VERBINDING

Van al die verschillen wil historica Lara Nuberg daarom af. Of je Indo bent of Indonesisch moet niet uitmaken.. “Laten we ophouden met die hokjesgeest. Het denken in hokjes is een product van koloniaal hierarchisch Denken. Verbind en heers, zou ik zeggen, in plaats van: Verdeel en heers,” betoogde ze.

Waarom zou je je als Indische Nederlander –  Indo, met gemengd bloed – alleen met de witte familienaam van je Nederlandse voorvader identificeren? “We zijn een product van het kolonialisme. Als je naar je roots gaat kijken, kom je uiteindelijk allemaal uit Indonesië. Kom je uit bij je Indonesische (over)grootmoeder. Verzwijg je Indonesische voorouders niet, je oma, onderzoek waar je vandaan komt”, aldus Nuberg.

Indische spekkoek

Er was spekkoek, er was gamelanmuziek, er waren 2 minuten stilte en een kranslegging, en er was een indrukwekkend gezongen Indisch “Onze Vader” met gitaarmuziek. 

Peter Lengams speelt en zingt het Indisch ” Onze Vader”
Kranslegging met defilé na 2 minuten stilte

Het beruchte Indische zwijgen is voorbij.

Het is een begin van een marathon”, noemde organisator Benjamin Caton dit, kleinzoon van drie Indische grootouders, politiek actief in Amsterdam. “Het begin van een nieuwe traditie”.

Hij benadrukte dat de geschiedenis van het Indiëmonument op het Olympiaplein, (met haar koloniale roots bij generaal Van Heutsz, maar inmiddels veranderde naam) daarvoor de perfecte locatie is. Ook spreekster Flora Breemer van Stadsdeel Zuid beklemtoonde deze verandering “We gaan steeds weer opnieuw, anders over het verleden nadenken”.

Het monument van beeldhouwer Frits van Hall, geboren op Java en zelf oorlogslachtoffer van WO2 als communist, is qua ontwerp zo gemaakt, dat de plaquette van generaal Van Heutsz makkelijk vervangen kon worden, vond Van Hall zelf al in 1935. ” Zet er het woord Merdeka op en je hebt een bevrijdingsmonument“, zou hij gezegd hebben.

Het Indië-Nederland monument evolueert mee met de derde generatie.

——–

Op 17 augustus vieren Indonesiërs hun Bevrijdingsdag, hun Onafhankelijkheid van de Nederlanders.

Op 15 augustus herdenken Nederlanders uit Nederlands Indië en Indische Nederlanders de bevrijding van de Jappen.

Op 16 augustus 2021 is er een Dekoloniale Indië Herdenking in Amsterdam geboren.

———————


Blog uit Amsterdam Zuid met haar Griekse godinnen Eos en Hestia rond het Olympisch Stadion, uitwaaierend over de stad met liefde voor kunst, architectuur, historie en spiritualiteit.

%d bloggers liken dit: